Vreemdelingenrecht

beroep, verzoek toetsing EU-recht, artikel 9 Vw document, (familie)relatie niet aangetoond en ook niet…

Rechtbank Den Haag, 18 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 18 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
18 augustus 2026
Datum publicatie
18 augustus 2026
Zaaknummer
NL25.58956
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:23163
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

beroep, verzoek toetsing EU-recht, artikel 9 Vw document, (familie)relatie niet aangetoond en ook niet gebleken van afhankelijkheid, inschrijving op hetzelfde adres is onvoldoende, ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.58956


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , V-nummer: [nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. S.H. de Vries).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om toetsing aan het EU-recht. Eiseres is het niet eens met de afwijzing en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Op het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen zal bij afzonderlijke uitspraak worden beslist.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 13 februari 2025 een aanvraag ingediend om toetsing aan het
EU-recht en daarbij een beroep gedaan op artikel 20 van het VWEU. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 3 juli 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van
3 november 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

2.1.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en een verzoek gedaan om een voorlopige voorziening te treffen. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft daarna de gronden van beroep aangevuld.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister deelgenomen. Het onderzoek ter zitting is gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiseres is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.

4. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van het hiernavolgende. Eiseres is 29 jaar oud, heeft de Surinaamse nationaliteit (derdelander) en wenst op grond van artikel 20 van het VWEU verblijf bij haar gestelde partner, de heer [naam 2] (referent), met de Nederlandse nationaliteit. Eiseres stelt bij haar aanvraag dat sinds 1 juli 2024 sprake is van een relatie.
4.1. In de gronden van beroep is door de gemachtigde van eiseres uitvoerig en onder verwijzing naar een aantal arresten van het Hof van Justitie van de EU het volgens hem geldende toetsingskader geschetst. Met betrekking tot de onderhavige zaak stelt de gemachtigde dat eiseres een relatie heeft met de onder 4. genoemde referent en dat tussen hen een afhankelijkheidsverhouding bestaat.
5. Het is de rechtbank niet gebleken dat door de minister niet wordt erkend, hetgeen de gemachtigde van eiseres lijkt te suggereren, dat verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU voor derdelanders - hoewel primair gericht op ouders en hun minderjarige Nederlandse kinderen - ook een situatie kan omvatten dat een meerderjarige derdelander afhankelijk is van een meerderjarige Unieburger of andersom.
5.1. De situatie als bedoeld onder 5. is in het arrest K.A. door het Hof van Justitie van de EU nader geduid. Het Hof overweegt dat “volwassenen (…) in beginsel in staat zijn om onafhankelijk van hun familieleden een leven te leiden. Het is dan ook slechts in uitzonderlijke gevallen voorstelbaar dat wordt erkend dat er tussen twee volwassenen die behoren tot een en dezelfde familie, een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat deze een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU doet ontstaan, namelijk in gevallen waarin de betrokkene, gelet op alle relevante omstandigheden, op geen enkele wijze kan worden gescheiden van het familielid van wie hij afhankelijk is.”
5.2. In het arrest SRS heeft het Hof overwogen dat de derdelander het bewijs moet leveren dat hij met de Unieburger een nauwe en duurzame persoonlijke band heeft waaruit blijkt dat er een reële situatie van afhankelijkheid tussen beiden bestaat. Die band moet van dien aard zijn dat indien het andere familielid in het gastland niet zou kunnen inwonen bij de Unieburger, minstens één van beiden daaronder zou lijden.
5.3. De vraag moet dus worden beantwoord of eiseres en haar gestelde partner behoren tot een en dezelfde familie en zij met hem een nauwe en duurzame persoonlijke band heeft waaruit blijkt dat er een reële situatie van afhankelijkheid bestaat, zodanig dat eiseres, gelet op alle relevante omstandigheden, op geen enkele wijze kan worden gescheiden van haar gestelde partner van wie zij afhankelijk is (of andersom).
6. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar aanvraag een uittreksel uit de Basisregistratie Personen (BRP) overgelegd. Daaruit zou blijken dat zij sinds 20 maart 2025 op hetzelfde adres woonachtig is als haar gestelde partner.
6.1. De rechtbank stelt vast dat - nu alleen het onder 6. aangehaalde bewijsstuk aan de aanvraag ten grondslag is gelegd - voor de stelling van eiseres ten tijde van de aanvraag dat sinds 1 juli 2024 sprake is van een relatie, elke onderbouwing ontbreekt. Indien en voorzover aangenomen moet worden dat sprake is van een relatie zou dit eventueel vanaf
20 maart 2025 kunnen blijken uit het BRP-uittreksel.
6.2. Gelet op hetgeen onder 6.1. is overwogen oordeelt de rechtbank dat ten tijde van het besluit in primo, evenals ten tijde van het besluit op bezwaar, niet is gebleken van het bestaan van de gestelde relatie. Evenmin kan worden vastgesteld dat sprake is van een nauwe en duurzame persoonlijke band tussen eiseres en haar gestelde partner. Uitsluitend de inschrijving op hetzelfde adres met ingang van 20 maart 2025 is onvoldoende om vanaf dat moment een affectieve of emotionele relatie dan wel een nauwe en duurzame persoonlijke band aan te nemen.
6.3. De rechtbank merkt hierbij op dat ten tijde van het bestreden besluit bovendien geen sprake was van duurzaam samenwonen. De mededeling van de gemachtigde van eiseres ter zitting dat de aanvraag vroegtijdig was ingediend omdat gedurende de procedure vanzelf (duurzaam) verblijfsrecht zou ontstaan of worden gecreëerd acht de rechtbank laakbaar. De gemachtigde dient uitsluitend een aanvraag in te dienen wanneer aan de daarvoor gelden voorwaarden wordt voldaan.
7. Met betrekking tot de afhankelijkheidsverhouding tussen eiseres en haar gestelde partner zijn geen stukken overgelegd, anders dan het onder 6. aangehaalde BRP-uittreksel. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres gesteld dat de afhankelijkheid tussen beiden bestaat, dat het BRP-uittreksel daarvoor voldoende onderbouwing vormt en dat er tranen zullen vloeien als eiseres en haar gestelde partner worden gescheiden.
7.1. De rechtbank oordeelt dat elke onderbouwing voor de gestelde afhankelijkheidsverhouding ontbreekt. De afhankelijkheid blijkt in elk geval niet uit de enkele inschrijving op hetzelfde BRP-adres. Daaruit volgt immers niet dat een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat eiseres, gelet op alle relevante omstandigheden, op geen enkele wijze kan worden gescheiden van haar gestelde partner (of andersom) omdat minstens één van hen daaronder zou lijden. Voor zover moet worden aangenomen dat er tranen zullen vloeien bij een scheiding, is dat onvoldoende om van lijden te spreken zoals bedoeld in het arrest SRS. Ook de verwijzing door de gemachtigde van eiseres naar het arrest XU treft geen doel. Dat arrest ziet op een andere situatie (ouders met kinderjarige kinderen) dan in onderhavig beroep aan de orde is. Op basis van dit arrest kan dan ook niet zonder meer worden gesteld dat wanneer een derdelander en een Unieburger duurzaam samenwonen, tussen hen een afhankelijkheidsverhouding op weerlegbare wijze wordt vermoed. Bovendien heeft de rechtbank onder 6. en verder al geoordeeld dat in de situatie van eiseres en haar gestelde partner geen sprake is van duurzaam samenwonen.
8. Nu niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een relatie of van een nauwe en duurzame persoonlijke band tussen eiseres en haar gestelde partner, en evenmin is aangetoond dat tussen eiseres en haar gestelde partner een afhankelijkheidsverhouding bestaat, oordeelt de rechtbank dat de minister terecht geen gezinsleven en privéleven heeft aangenomen. Ook de beroepsgronden die zien op artikel 7 van het Handvest en het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel slagen daarom niet.
8.1. Gelet op de gronden in bezwaar waarin vooral wordt verwezen naar verschillende arresten zonder in alle gevallen concreet te maken waarom die arresten van belang zijn voor deze zaak en de summiere onderbouwing door eiseres van de ingenomen stelling dat reeds vanwege het duurzaam samenwonen sprake is van afhankelijkheid, heeft de minister kunnen afzien van het horen in bezwaar.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Ook krijgt zij geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van

A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Inwilliging van een aanvraag toetsing EU-recht leidt tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Het verzoek is geregistreerd onder nummer NL25.58957. Arrest van 8 mei 2018, K.A. e.a. tegen Belgische Staat, C-82/16, ECLI:EU:C:2018:308. Arrest van 15 september 2022, SRS en AA tegen Minister for Justice and Equality, C-22/21, ECLI:EU:C:2022:683. Arrest van 5 mei 2022, XU en QP, C-451/19 en C-532/19, ECLI:EU:C:2022:354.