Vreemdelingenrecht

Hersteluitspraak vanwege noemen verkeerde land - Asiel - Irak - BNT - samenwerkingsplicht - grondslag van het…

Rechtbank Den Haag, 10 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 10 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
10 augustus 2026
Datum publicatie
18 augustus 2026
Zaaknummer
NL26.11339 (beroep), NL26.24188 (beroep) en NL26.2
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:23184
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Hersteluitspraak vanwege noemen verkeerde land - Asiel - Irak - BNT - samenwerkingsplicht - grondslag van het beroepschrift - Ebilum - atheïsme terecht ongeloofwaardig gevonden - geen strijd met artikel 8 EVRM door inreisverbod - beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.11339 (beroep), NL26.24188 (beroep) en NL26.24189 (voorlopige voorziening)


uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.A. Weststrate).

Samenvatting


1. Eiser komt uit Irak. Hij heeft om asiel gevraagd. Hij heeft verklaard dat hij niet terug kan naar Irak omdat hij atheïstisch is geworden. Ook heeft hij problemen in Irak vanwege de aanranding van zijn zus. Dat is ook een reden waarom hij niet terug kan.

1.1.

Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen. Verweerder vindt de identiteit, herkomst en nationaliteit van eiser geloofwaardig, maar zijn atheïsme en de problemen van eiser wegens de aanranding van zijn zus vindt verweerder ongeloofwaardig. Het geloofwaardige asielmotief leidt volgens verweerder niet tot Vluchtelingschap of een reëel (echt) risico op ernstige schade bij terugkeer naar Algerije Irak.

1.2.

Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij heeft daarvoor een aantal argumenten gegeven. Dit zijn de beroepsgronden. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

1.3.

De rechtbank oordeelt dat verweerder het atheïsme van eiser terecht ongeloofwaardig heeft gevonden. De rechtbank komt niet toe aan een oordeel over de problemen van eiser vanwege de aanranding van zijn zus, omdat eiser geen gronden heeft aangevoerd tegen het standpunt van verweerder dat de problemen ongeloofwaardig zijn. Tot slot is de oplegging van het inreisverbod niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij een relatie heeft op grond waarvan er sprake is van beschermenswaardig familieleven. Daarom is het beroep van eiser ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt.

1.4.

Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 17 juni 2025 een opvolgende asielaanvraag ingediend.

2.1.

Eiser heeft op 2 maart 2026 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag (NL26.11339).

2.2.

Verweerder heeft eisers asielaanvraag met het bestreden besluit van 17 april 2026 afgewezen als ongegrond.

2.3.

Eiser heeft op 29 april 2026 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit (NL26.24188) en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend die ertoe strekt dat hij niet uitgezet kan worden naar Irak totdat op het beroep is beslist (NL26.24189).

2.4.

De rechtbank heeft de beroepen en het verzoek om een voorlopige voorziening op 20 juli 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van verweerder heeft aan de zitting deelgenomen. Eiser en de gemachtigde van eiser hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Zaaknummer NL26.24188

3. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het niet tijdig beslissen mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Eiser is het niet eens met het inhoudelijke besluit op zijn asielaanvraag omdat niet aan het beroep van eiser is tegemoetgekomen. Het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen (NL26.11339) heeft dus van rechtswege betrekking op het bestreden besluit. Dat maakt dat het beroep met zaaknummer NL26.24188 ten overvloede is ingediend. De rechtbank verklaart dit beroep niet-ontvankelijk, omdat eiser met dit beroep niet meer of anders kan bereiken dan met het beroep met zaaknummer NL26.11339. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De gronden van beroep gericht tegen het bestreden besluit die zijn ingediend in zaaknummer NL26.24188 acht de rechtbank als te zijn ingediend in zaaknummer NL26.11339.

Zaaknummer NL26.11339.

Over het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag

4. Omdat verweerder alsnog een besluit heeft genomen op de asielaanvraag, heeft eiser geen belang meer bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom niet-ontvankelijk.

Over het beroep tegen het bestreden besluit

Het asielrelaas

5. Eiser heeft de Iraakse nationaliteit en is geboren op [datum] 2002. Hij heeft verklaard dat hij in zijn vorige asielprocedure niet eerlijk is geweest. Hij heeft toen een gefabriceerd verhaal verteld omdat hij er nog niet klaar voor was om over zijn echte asielmotieven te vertellen. Hij vertelt nu wel over zijn echte asielmotieven. Hij heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Hij heeft Irak verlaten omdat hij werd bedreigd door zijn oom en de militie [naam militie] . De oom van eiser was boos op hem omdat eiser de vrouw van zijn oom (eisers tante) heeft geslagen en bespuugd. Eiser heeft dat gedaan omdat de tante van eiser een foto van de zus van eiser heeft gedeeld met een man, die vervolgens met een andere man de zus van eiser heeft aangerand. Mede door deze problemen kan hij niet terug naar Irak.

Verder heeft eiser verklaard dat hij inmiddels atheïst is geworden. Hij is in Nederland lid geworden van een voetbalclub en door de omgang daar met andere jongens is hij gaan twijfelen aan zijn geloof. Dat is ook een reden waarom hij niet terug kan naar Irak.

Het bestreden besluit

6. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiser de volgende asielmotieven:

1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. De problemen van eiser wegens de aanranding van zijn zus;

3. Atheïsme.

6.1.

Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De problemen van eiser wegens de aanranding van zijn zus vindt verweerder niet geloofwaardig. Eiser heeft dit asielmotief niet onderbouwd met objectieve documenten. Met zijn verklaringen alleen heeft hij zijn asielmotief ook niet kunnen onderbouwen, nu hij niet voldoet aan de voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, onder b, c, d en e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Dat eiser atheïstisch is, vindt verweerder ook niet geloofwaardig. Eiser heeft dit asielmotief niet onderbouwd met objectieve documenten. Met zijn verklaringen alleen heeft hij dit asielmotief ook niet kunnen onderbouwen, want hij voldoet niet aan de voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, onder c, d, en e, van de Vw.

6.2.

Het geloofwaardig geachte asielmotief, de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser, leidt niet tot Vluchtelingschap. Ook loopt hij geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Irak.

6.3.

Het eerder aan eiser opgelegde terugkeerbesluit is nog steeds geldig. Verweerder heeft ook een inreisverbod voor twee jaar opgelegd.

Kent het bestreden besluit een motiveringsgebrek?

7. Eiser voert aan dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd omdat door verweerder niet wordt aangegeven of gebruik is gemaakt van CaseMatcher of Artificial intelligence (AI).

7.1.

De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat er bij de totstandkoming van dit besluit geen gebruik is gemaakt van CaseMatcher of AI. Nu eiser niet heeft onderbouwd waaruit er volgens hem volgt dat er gebruik is gemaakt van Casematcher of AI bij de totstandkoming van dit besluit, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan dit antwoord van verweerder te twijfelen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt geen motiveringsgebrek kent.

Heeft verweerder eiseres atheïsme terecht ongeloofwaardig gevonden?

8. Eiser voert aan dat verweerder heeft miskend dat hij het proces dat tot zijn atheïsme heeft geleid, voldoende duidelijk heeft beschreven tijdens het nader gehoor en in de zienswijze. Verweerder heeft ten onrechte het atheïsme van eiser ongeloofwaardig geacht. Eiser doet verder een beroep op het arrest Ebilum.

8.1.

De rechtbank overweegt als volgt. Tussen de verzoeker om internationale bescherming (in dit geval eiser) en de behandelaar van het verzoek (in dit geval verweerder) geldt een samenwerkingsplicht. Deze samenwerkingsplicht is bijvoorbeeld beschreven in de paragrafen 195 en 196 van het Handbook UNHCR, en is ook bevestigd in jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof). Het uitgangspunt is dat verzoekers alle elementen waarover zij beschikken ter staving van het verzoek om internationale bescherming verstrekken. Te dien einde verlenen verzoekers volledige medewerking aan de beslissingsautoriteit en andere bevoegde autoriteiten, en blijven zij op het grondgebied van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van hun verzoek aanwezig en beschikbaar gedurende de procedure, ook gedurende de beoordeling van de relevante elementen van het verzoek.

8.2.

De rechtbank begrijpt de grond van eiser zo dat hij vindt dat zijn verklaringen wel samenhangend en aannemelijk zijn en hij daarmee dan ook geloofwaardig heeft gemaakt dat hij atheïstisch is geworden. Eiser vindt dus dat verweerder zijn verklaringen verkeerd heeft beoordeeld.

8.3.1.

De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om uit te leggen waarom zijn atheïsme wél geloofwaardig is. Dit vindt zijn grondslag in artikel 8:69, eerste lid, van de Awb waarin is opgenomen dat de rechtbank uitspraak doet op grondslag van het beroepschrift en sluit ook aan bij de samenwerkingsplicht zoals hiervoor in 8.1. genoemd. Deze plicht eindigt voor eiser niet bij het overleggen van bescheiden. Hij heeft de verplichting om een oprechte inspanning te leveren om zijn verzoek te staven, waarbij van hem een actieve inbreng wordt verlangt bij het indienen van zijn beroepsgronden. Eiser heeft bij uitstek inzicht in (het proces van) zijn religieuze overtuiging. Alleen hij kan vertellen hoe zijn verklaringen begrepen hadden moeten worden en waarom hij vindt dat hij het proces dat tot zijn atheïsme heeft geleid wel voldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Daarom wordt van hem verwacht dat hij bij het indienen van zijn gronden aangeeft waarom verweerder de verklaringen volgens hem verkeerd heeft beoordeeld en welke tegenwerpingen van verweerder ten aanzien van de verklaringen niet kloppen.

8.3.2.

De rechtbank is van oordeel dat het arrest Ebilum geen aanknopingspunten biedt voor het standpunt dat het niet langer aan eiser is om uit te leggen of te onderbouwen waarom zijn asielrelaas geloofwaardig is.

8.3.3.

Het vorenstaande leidt er toe dat de rechtbank van oordeel is dat dat eiser in zijn beroepsgronden had moeten uitleggen waarom verweerder volgens hem zijn verklaringen verkeerd heeft beoordeeld en welke tegenwerpingen van verweerder ten aanzien van de verklaringen niet kloppen. Dat heeft eiser niet gedaan.

8.3.4.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder het atheïsme van eiser terecht ongeloofwaardig heeft gevonden. De motivering van verweerder dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, hij in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd en hij niet zo spoedig mogelijk asiel heeft ingediend en daarvoor geen goede verklaring heeft is draagkrachtig.

Problemen van eiser vanwege de aanranding van zijn zus

9. De rechtbank stelt vast eiser geen gronden heeft aangevoerd tegen het standpunt van verweerder dat de problemen van eiser vanwege de aanranding van zijn zus niet geloofwaardig zijn. Zoals hiervoor is overwogen doet de rechtbank uitspraak op grond van het beroepschrift en komt zij aan de bespreking van deze gestelde problemen niet toe.

Is het opleggen van een inreisverbod in strijd met artikel 8 van het EVRM?

10. Eiser heeft vlak voor de zitting een bon en brief van de afdeling Burgerzaken van de Gemeente Arnhem overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat hij voornemens is te gaan trouwen. De oplegging van een inreisverbod is volgens hem dan ook in strijd met artikel 8 van het EVRM.

10.1.

Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat deze stukken niet maken dat de oplegging van een inreisverbod in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft de relatie namelijk niet nader onderbouwd. Ook zijn de stukken erg laat ingediend.

10.2.

De rechtbank is van oordeel dat de oplegging van een inreisverbod niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. De rechtbank stelt vast dat de overgelegde stukken een bon betreffen waarop staat dat er een bedrag van € 363,00 is afgerekend voor een huwelijk tussen ‘ [namen] ’ en een brief de gemeente Arnhem met de bevestiging van een trouwdatum. De rechtbank is van oordeel dat eiser daarmee niet het bestaan van beschermenswaardig familieleven heeft onderbouwd. Naast de bon heeft eiser geen toelichting gegeven over zijn relatie, waardoor onduidelijk is hoe lang hij al een relatie heeft, of hij en zijn gestelde partner samenwonen en hoe vaak ze elkaar zien. Gelet op het vorenstaande heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Artikel 8 van het EVRM staat dan ook niet in de weg aan het opleggen van een inreisverbod.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep met zaaknummer NL26.24188 is niet-ontvankelijk. Het beroep met zaaknummer NL26.11339, voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag, is niet-ontvankelijk. Het beroep met zaaknummer NL26.11339 is, voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit, ongegrond. Verweerder heeft de asielaanvraag dan ook terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

12. Omdat op het beroep is beslist, is er geen reden meer voor het treffen van de voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening dan ook af.

13. Eiser krijgt in beide zaken geen proceskostenvergoeding.

Beslissing

Over het beroep met zaaknummer NL26.11339

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.

Over het beroep met zaaknummer NL26.24188

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Over de voorlopige voorziening met zaaknummer NL26.24189

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Poortier, griffier.

Deze hersteluitspraak vervangt de inhoud van de uitspraak van 3 augustus 2026, zonder wijziging van de uitspraakdatum. De hersteluitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekend gemaakt op ……

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover dat ziet op de beroepen, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden. Dit is het oude recht dat gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Deze voorwaarden zijn nu vastgelegd in artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatieverordening (Verordening (EU) 2024/1347). De Kwalificatieverordening is ingegaan op 12 juni 2026 en heeft directe werking. Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448. Handbook on Procedures and Criteria for determining Refugee status van de UNHCR. Zie het arrest M.M. tegen Ierland van 22 november 2012, ECLI:EU:C:2012:744. Artikel 4, eerste lid van de Kwalificatieverordening.