Vreemdelingenrecht

vreemdelingenbewaring, 59.1aterugkeerbesluit, zorgvuldigheid gehoor zonder advocaat, gronden betwist, lichter…

Rechtbank Den Haag, 20 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 20 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
20 augustus 2026
Datum publicatie
20 augustus 2026
Zaaknummer
NL26.45929
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:23393
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

vreemdelingenbewaring, 59.1aterugkeerbesluit, zorgvuldigheid gehoor zonder advocaat, gronden betwist, lichter middel, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.45929


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. G.P. Dayala),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

(gemachtigde: mr. G. Cambier).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 11 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft zijn gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 19 augustus 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1982 en de Moldavische nationaliteit te hebben.

Toetsingskader

2. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

Terugkeerbesluit

3. Eiser voert aan dat aan de maatregel van vreemdelingenbewaring geen geldig en actueel terugkeerbesluit ten grondslag ligt. Eiser stelt dat de maatregel uitsluitend is gebaseerd op het terugkeerbesluit van 12 juni 2023. Echter dat terugkeerbesluit heeft met de recente asielaanvraag van eiser van 15 juli 2026 zijn werking verloren. Verweerder dient kenbaar te maken op welk actueel terugkeerbesluit de maatregel steunt en of de beschikking op de asielaanvraag van eiser van 29 juli 2026 een (nieuw) terugkeerbesluit behelst. De maatregel vermeldt hier namelijk niets over en om die reden is de maatregel onvoldoende gemotiveerd en berust deze op een ondeugdelijke grondslag.

4. De rechtbank stelt vast dat in het besluit van 29 juli 2026, waarbij de asielaanvraag van eiser is afgewezen, wordt verwezen naar het terugkeerbesluit van 12 juni 2023 dat nog steeds geldt. In de maatregel van bewaring wordt ook naar dit besluit verwezen. De beroepsgrond van eiser slaagt daarom niet.

Zorgvuldigheid gehoor

5. Eiser voert aan dat het gehoor voorafgaand aan de maatregel van vreemdelingenbewaring onvoldoende zorgvuldig is geweest omdat de gemachtigde van eiser niet bij het gehoor aanwezig kon zijn en verweerder zich er daarom nader van moet vergewissen dat eiser daadwerkelijk in staat is geweest zijn belangen kenbaar te maken.

6. In het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de maatregel staat opgenomen dat de gemachtigde van eiser op 11 augustus 2026 om 9:53 uur telefonisch van het aanstaande gehoor op de hoogte is gesteld, dat de gemachtigde niet bij het gehoor aanwezig kon zijn en dat hij eiser de volgende dag zou bezoeken. Eiser heeft vervolgens verklaard dat hij ermee akkoord is dat het gehoor wordt voortgezet zonder zijn advocaat. Uit het gehoor van 11 augustus 2026 volgt dat hij gewezen is op het gehoor van 15 juli 2026 en dat eiser bij de verklaringen blijft die hij toen heeft afgelegd. Verder zijn aan eiser verscheidene andere vragen gesteld waarop hij antwoord heeft gegeven. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan deze gang van zaken. Uit het gehoor blijkt niet dat eiser onvoldoende in staat is geweest om zijn belangen kenbaar te maken en dit is nadien ook niet door eiser (onderbouwd) gesteld. De rechtbank concludeert dat verweerder gelet hierop eiser voldoende zorgvuldig heeft gehoord.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

7. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

8. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;
o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

9. Eiser betwist al deze gronden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht de gronden a, b, en c aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd. Door eiser is niet betwist dat hij niet op voorgeschreven wijze Nederland is ingereisd. Eiser beschikte ten tijde van zijn inreis in Nederland niet over een geldig reisdocument en derhalve geen benodigde inreisstempel om Nederland in te mogen reizen. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij zijn paspoort in Duitsland is kwijtgeraakt. Daarnaast is eiser in 2023 met onbekende bestemming vertrokken, waaruit volgt dat hij zich tot aan zijn recente asielaanvraag aan het toezicht heeft onttrokken. Anders dan eiser stelt, valt niet in te zien dat verweerder dit gegeven niet langer aan eiser mag tegenwerpen vanwege het enkele feit dat deze omstandigheid in 2023 heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van grond b geldt dat de asielaanvraag van eiser bij meeromvattende beschikking van 23 juni 2023 is afgewezen en eiser heeft niet aangetoond dat hij aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting gevolg heeft gegeven. Dat eiser stelt dat hij wenst mee te werken aan terugkeer doet er niet aan af dat deze grond terecht aan de maatregel ten grondslag is gelegd. Ook grond c is terecht aan eiser tegengeworpen. Eiser heeft geen document overgelegd ter staving van zijn identiteit en nationaliteit en niet gebleken is dat hij enige inspanningen heeft verricht om een dergelijk document te verkrijgen. Juist door dergelijke inspanningen te verrichten kan geoordeeld worden dat eiser voldoende meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit. Dat volgens eiser zijn identiteit en nationaliteit niet ter discussie zouden staan maakt dat niet anders. Immers identificerende documenten zijn nodig om zijn terugkeer te kunnen realiseren.

10. Gelet op artikel 5.6, eerste lid, van het Vb zijn twee gronden voldoende om aan te nemen dat sprake is van een onderduikrisico op grond waarvan een maatregel van bewaring kan worden opgelegd. In dit geval is sprake van voldoende, in dit geval drie, gronden die juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van vreemdelingenbewaring. De gronden zijn toereikend om de maatregel te kunnen dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat. Wat eiser voor het overige ten aanzien van de gronden heeft aangevoerd hoeft daarom geen bespreking meer.

11. De beroepsgrond van eiser dat het door verweerder aangenomen onttrekkingsgevaar niet in verhouding staat tot de actuele houding van eiser slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Uit de gronden van de maatregel blijkt immers reeds voldoende dat verweerder mag aannemen dat sprake is van een onderduikrisico op grond waarvan verweerder eiser in vreemdelingenbewaring heeft mogen stellen. Hoewel eiser verklaart dat hij met hulp van het IOM kan terugkeren, zegt hij, zoals verweerder terecht meldt, “als ik ga, moet ik wel geld meekrijgen’. Hieruit volgt dat eiser alleen wil terugkeren naar Moldavië als hij geld krijgt. Daar komt bij dat tot op heden niet is gebleken dat eiser daadwerkelijk met het IOM contact heeft gehad, dan wel andere inspanningen heeft verricht gericht op terugkeer naar Moldavië. Eiser heeft bovendien al in juni 2023 een terugkeerbesluit opgelegd gekregen en eiser heeft daaraan, al dan niet met hulp van het IOM, geen gehoor gegeven.

Lichter middel

12. Verweerder heeft - mede gelet op wat onder 9. is besproken - voldoende gemotiveerd waarom aan eiser geen lichter middel dan vreemdelingenbewaring opgelegd. Verweerder heeft daarbij terecht betrokken dat eiser eerder de mogelijkheid heeft gehad om vrijwillig terug te keren, maar hij is toen met onbekende bestemming vertrokken. Hij heeft geen identificerende documenten overgelegd om zijn nationaliteit en identiteit te onderbouwen en op grond waarvan eiser zou kunnen terugkeren naar Moldavië. Verweerder heeft daarnaast terecht gewezen op het feit dat eiser in het verleden meermaals is aangehouden wegens vermogensdelicten, wat maakt dat in samenhang met eisers houding verweerder heeft mogen aannemen dat eiser zich niet zal houden aan de op hem rustende terugkeerverplichting.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

13. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 20 augustus 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Vreemdelingenwet 2000. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59c van de Vw. Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb. Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb. Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.