Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag · Eerste aanleg - enkelvoudig · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 5 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 5 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
5 augustus 2026
Datum publicatie
21 augustus 2026
Zaaknummer
NL26.31198
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:23538
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Dublin, MOB

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.31198


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. B. Temeltasch),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag

van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

(asielaanvraag) niet in behandeling genomen op de grond dat België verantwoordelijk is

voor de behandeling ervan.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft tevens de

voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder en de gemachtigde van eiser hebben bij berichten van 4 augustus 2026 toestemming gegeven om zonder zitting uitspraak te doen. De rechtbank heeft op 5 augustus 2026 bepaald dat de geplande behandeling van het beroep op de zitting van 3 september 2026 geen doorgang vindt. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende

bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, moet er in

beginsel van uit worden gegaan dat hij geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland.

Op basis van een melding dat de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken

(‘mob-melding’) mag het beroep dus in beginsel niet-ontvankelijk worden verklaard wegens

gebrek aan procesbelang. Dit is anders als een vreemdeling na die melding nog contact met

zijn gemachtigde onderhoudt. In dat geval wordt in beginsel aangenomen dat hij nog wel

prijs stelt op bescherming in Nederland. Het voorgaande volgt uit vaste rechtspraak van de

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli

2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.

2. Verweerder heeft op 21 juli 2026 een systeemuitdraai overlegd, waaruit blijkt dat het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) op 15 juli 2026 heeft geregistreerd dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank heeft vervolgens aan

de gemachtigde van eiser gevraagd of hij nog contact onderhoudt met eiser en of hij weet waar eiser verblijft. Daarop heeft de gemachtigde van eiser bij bericht van 30 juli 2026 laten weten dat hij geen contact meer heeft met eiser en dat hij niet weet waar eiser verblijft.

3. Nu eiser zonder bericht met onbekende bestemming is vertrokken uit de opvang

van het COa en de gemachtigde van eiser geen contact meer heeft met eiser, moet ervan

worden uitgegaan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk in Nederland

gezochte bescherming. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een

inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit van 3 juni 2026.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet

inhoudelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van

mr. J. Dommerholt, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.