Vreemdelingenrecht

plaatsingsbesluit en vrijheidsbeperkende maatregel, HTL en art. 56 Vw, ongegrond.

Rechtbank Den Haag, 21 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 21 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Groningen
Datum uitspraak
21 augustus 2026
Datum publicatie
21 augustus 2026
Zaaknummer
NL26.28469 en AWB 26 8198
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:23583
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

plaatsingsbesluit en vrijheidsbeperkende maatregel, HTL en art. 56 Vw, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.28469 en AWB 26/8198


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen


[naam], eiser,

v-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),

en

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,

alsmede

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. I. van Es).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep is gericht tegen het besluit van het COa van 22 april 2026. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser per 22 april 2026 in de HTL in Hoogeveen te plaatsen (hierna: het plaatsingsbesluit). Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van dezelfde datum om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw op te leggen (hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel). De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.

1.1.

Eiser heeft op 20 mei 2026 beroepsgronden ingediend, waarop het COa op 11 augustus 2026 een verweerschrift heeft ingediend.

1.2.

De vrijheidsbeperkende maatregel is op 28 mei 2026 opgeheven, omdat eiser afstand heeft gedaan van zijn recht op opvang.

1.3.

De rechtbank heeft de beroepen op 14 augustus 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser is verschenen en de minister en het COa hebben zich gezamenlijk laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Eiser is niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt, dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en dat eiser ook geen vergoeding krijgt in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit

De feitelijke verslaglegging van het incident

3. Het COa heeft in het plaatsingsbesluit uitgebreid verslag gedaan van het incident dat ten grondslag ligt aan het besluit. Kort samengevat komt dit op het volgende neer. Op 18 april 2026 heeft eiser een medebewoner onverwachts aangevallen. Eiser heeft de medebewoner met gebalde vuisten geslagen, waarbij hij hem onder meer op het hoofd heeft geraakt. De medebewoner heeft geprobeerd zich tegen de aanval te verweren door terug te slaan. Na ongeveer twee minuten zijn andere bewoners erin geslaagd eiser en de medebewoner uit elkaar te halen. De medebewoner liep daarbij verschillende verwondingen op, waaronder schrammen aan zijn handen, voeten, gezicht en nek, een grote bult op zijn voorhoofd en een bloedende snee aan zijn vinger. Voor behandeling van zijn verwondingen is de medebewoner naar de huisartsenpost gegaan, waar de snee aan zijn vinger is gehecht. Daarnaast heeft hij bij de politie aangegeven aangifte te willen doen.

Naar aanleiding van het incident is aan eiser eerst een locatieverbod opgelegd.

Wat vindt eiser?

4. Eiser stelt dat de medebewoner hem aanviel en dat hij heeft gehandeld uit zelfverdediging. Hij stelt dat de medebewoner altijd problemen maakte en hem uitschold. Daarnaast betwist eiser de wijze waarop het incident is vastgelegd door het COa. Volgens eiser is het incident niet door medewerkers van het COa of beveiligers waargenomen. Eiser vraagt zich daarom af op welke informatie de verslaglegging van het incident is gebaseerd. Daarnaast stelt eiser dat de medebewoners geen objectieve getuigen zijn omdat zij bevriend zouden zijn met de medebewoner.

4.1.

Bovendien stelt eiser dat het incident niet als incident kan worden beschouwd met grote en/of zeer grote impact omdat het Coa eerst alleen een locatieverbod oplegde. Pas vier dagen na het incident, op 22 april 2026, is besloten om eiser een plaatsingsbesluit op te leggen. Eiser meent dat dit sneller had gekund omdat het bekijken van camerabeelden niet veel tijd in beslag neemt. Daarnaast heeft eiser laten zien dat hij meewerkt aan dit locatieverbod door zijn spullen te pakken en de locatie te verlaten. Eiser stelt dat hij door het opleggen van het locatieverbod en het verblijf in de HTL, dubbel is gestraft. Bovendien hebben er in de tussentijd geen andere incidenten plaatsgevonden. Daarnaast stelt eiser dat uit het Maatregelenbeleid van het COa blijkt dat de minister een keuze moet maken tussen een time-out maatregel en een HTL maatregel en dat deze dus niet beide kunnen worden opgelegd. Aangezien de minister eerst heeft gekozen voor een time-out plaatsing, vervalt volgens eiser het recht om ook een HTL-maatregel op te leggen.

4.2.

Daarnaast stelt eiser dat de HTL-plaatsing gevolgen heeft voor zijn werkzaamheden als verkeersregelaar waar hij op 28 april 2026 een Verklaring Omtrent het Gedrag voor heeft gekregen. Eiser meent dat de HTL-plaatsing een onevenredig zware bestraffing is en dat daarom de beschikking dient te worden vernietigd.

Oordeel van de rechtbank

5. De rechtbank vindt geen steun voor de stelling van eiser dat hij uit zelfverdediging heeft gehandeld. De rechtbank gaat uit van de beschrijving van het incident, die is gebaseerd op verklaringen van betrokkenen, waaronder omstanders, en op beelden van beveiligingscamera’s, zoals ook is vermeld op pagina 4 van het plaatsingsbesluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze informatie te twijfelen. In de stelling van eiser dat de betrokkenen vrienden van de medebewoner zouden zijn, ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor een ander oordeel.

5.1.

De rechtbank is verder van oordeel dat het COa, in overeenstemming met het Maatregelenbeleid en voldoende deugdelijk gemotiveerd, heeft besloten tot de oplegging van het plaatsingsbesluit. Uit het Maatregelenbeleid van het COa volgt immers dat een maatregel 6 tot en met 11 of een HTL-maatregel wordt opgelegd wanneer sprake is van één incident met een zeer grote impact. Daarvan is in deze zaak sprake. Eiser heeft fysiek geweld gebruikt door de medebewoner met zijn vuisten, onder meer in het gezicht, te slaan. Als gevolg hiervan heeft de medebewoner verschillende verwondingen opgelopen, waarvoor hij bij de huisartsenpost is geweest en is behandeld. De gevolgen hadden ernstiger kunnen zijn als de omstanders niet hadden ingegrepen. Verder heeft het Coa kunnen meewegen dat uit het overzicht van eerdere incidenten blijkt dat eiser voor het onderhavige incident in de periode van 11 november 2022 en 23 november 2025, meerdere incidenten heeft veroorzaakt waarbij lichtere maatregelen zijn toegepast. Dit betroffen alle incidenten met agressie en geweld tegen personen. De stelling van eiser dat er sprake is van een dubbele bestraffing door eerst een time-out maatregel op te leggen, volgt de rechtbank niet. De minister heeft ter zitting toegelicht, en dit blijkt ook uit het verweerschrift, dat eiser eerst op time-out is gestuurd om de rust, orde en beheersbaarheid op de locatie te handhaven. Vervolgens is nadat het onderzoek na vier dagen was afgerond aan eiser de HTL-maatregel opgelegd. De maatregelen werden dus niet gelijktijdig opgelegd, maar na elkaar. Het Maatregelenbeleid van het COa sluit ook niet uit dat maatregelen niet achtereenvolgend kunnen worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een dubbele bestraffing. Dat eiser tijdens de time-out maatregel geen nieuwe incidenten heeft veroorzaakt, maakt dit niet anders.

5.2.

Bovendien is de rechtbank van oordeel dat de plaatsing van eiser in de HTL niet onevenredig bezwarend is geweest gelet op zijn werkzaamheden als verkeersregelaar. Eiser heeft niet duidelijk gemaakt in hoeverre het plaatsingsbesluit invloed heeft gehad op zijn werk als verkeersregelaar of op eisers mogelijkheden om te werken als verkeersregelaar.

6. Het beroep tegen het plaatsingsbesluit is ongegrond.

Vrijheidsbeperkende maatregel

Wat vindt eiser?

7. Eiser stelt dat hij tijdens het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel onvoldoende inzicht had in de gevolgen die de maatregel voor hem zou hebben. Volgens eiser heeft hij daarom niet uitgebreid verklaard over zijn werkzaamheden als verkeersregelaar.

Oordeel van de rechtbank

7.1.

De rechtbank stelt vast dat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de vrijheidsbeperkende maatregel is geïnformeerd over de inhoud van de maatregel en de daaraan gebonden gevolgen. De stelling van eiser dat hij niet wist welke consequenties de maatregel voor hem zou hebben en dat hij daarom niet uitgebreid over zijn werkzaamheden heeft verklaard, treft dan ook geen doel.

8. Omdat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel verder volledig steunt op het plaatsingsbesluit en dat beroep ongegrond wordt verklaard, oordeelt de rechtbank dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond moet worden verklaard. De rechtbank zal het verzoek tot schadevergoeding afwijzen.

Conclusie en gevolgen

9. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het COa het besluit tot plaatsing in de HTL en de minister de vrijheidsbeperkende maatregel mochten nemen.

9.1.

Eisers verzoek om schadevergoeding wordt gezien het voorgaande afgewezen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart de beroepen ongegrond;

  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van

mr. N. Wetterauw, griffier, op 21 augustus 2026, en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.

griffier

rechter

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Zaaknummer AWB 26/8198. Handhaving- en Toezichtlocatie. Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid van de Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005. Zaaknummer NL26.28469. Vreemdelingenwet 2000. Maatregelenbeleid COA van 10 maart 2026. Hierbij gaat het om een maatregel tot inhouding van maximaal alle verstrekkingen en eventueel aanbod time-out plek, variërend van 2 weken tot altijd.