Vreemdelingenrecht
Asiel; AA; tolk; zorgvuldigheid. Eiser voert aan dat het besluit onzorgvuldig is, omdat eiser niet is gehoord…
Rechtbank Den Haag, 3 augustus 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:23608 · Rechtbank Den Haag · 3 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-23608
Zaakgegevens
Op 3 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 3 augustus 2026
- Datum publicatie
- 21 augustus 2026
- Zaaknummer
- NL26.4347
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:23608
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Asiel; AA; tolk; zorgvuldigheid.
Eiser voert aan dat het besluit onzorgvuldig is, omdat eiser niet is gehoord met behulp van een tolk in het Gambiaans Mandinka, terwijl eiser daar wel op verschillende momenten in de procedure om heeft verzocht. Deze beroepsgrond slaagt.
Dat eiser tijdens het aanmeldgehoor en het nader gehoor uiteindelijk geen problemen had met (of in ieder geval: geen probleem heeft gemaakt van) de vertaling door de door verweerder gebruikte tolk en dat ook niet uit de gang van zaken tijdens de gehoren is gebleken dat eiser en de tolk elkaar niet konden verstaan, neemt niet weg dat hij vanaf het begin op meerdere momenten tijdens de procedure heeft verzocht om te worden gehoord door een tolk Gambiaans Mandinka en op verschillende momenten heeft aangegeven dat het niet zijn voorkeur had om met deze tolk verder te gaan. Voor zover er geen beëdigd tolken Gambiaans Mandinka zijn, zoals verweerder stelt, vindt de rechtbank dat er een niet-beëdigde tolk had moeten worden ingezet. De hoofdregel is weliswaar dat verweerder uitsluitend gebruik maakt van beëdigde tolken en vertalers, maar verweerder kan daarvan afwijken als er vanwege de nodige spoed geen registertolk tijdig beschikbaar is (artikel 28, derde lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers). Dit betekent dat verweerder eiser aanvullend moet horen met een tolk Gambiaans Mandinka en een nieuw besluit moet nemen over de asielaanvraag van eiser. Beroep gegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4347
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk,
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
gemachtigden: mr. L. Ludwig (zitting 13 maart 2026), mr. P.A.L.A. van Ittersum (zitting 4 juni 2026) en mr. L.G. de Rooij (zitting 24 juni 2026).
Procesverloop
Bij besluit van 20 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser als kennelijk ongegrond afgewezen.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 13 maart 2026 geopend. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Diaby als tolk en mr. L. Ludwig, de gemachtigde van verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om een nieuwe zittingsdatum te plannen waarbij een tolk Gambiaans Mandinka aanwezig is.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting hervat op 4 juni 2026. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. M.E. Buijsse, die heeft waargenomen voor mr. C.T.W. van Dijk, en mr. P.A.L.A. van Ittersum, de gemachtigde van verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst omdat er geen tolk was.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting ten slotte hervat op 24 juni 2026 en het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (zaaknummer NL26.4348) op deze zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. M.E. Buijsse (telefonisch), die heeft waargenomen voor mr. C.T.W. van Dijk, B.J. Kane als tolk en mr. L.G. de Rooij, de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Inleiding
-
Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2007 en de Gambiaanse nationaliteit te hebben.
-
Eiser heeft aan zijn asielaanvraag - samengevat weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. Eisers vader is omgekomen in een auto-ongeluk. Eiser is daarna voor [persoon A] , een vriend van eisers vader, komen te werken. [persoon A] handelde in verschillende producten, waaronder cannabis. Eiser moest voor [persoon A] cannabis vervoeren. De politie heeft eiser betrapt en opgepakt. In ruil voor vrijlating heeft eiser de politie naar [persoon A] geleid. Toen [persoon A] vrij was gekomen, wilde hij eiser vermoorden, omdat eiser hem had verraden. Eiser vreest in Gambia te worden gedood door [persoon A] of de groep van [persoon A] .
Het bestreden besluit
Verweerder heeft de volgende asielmotieven vastgesteld en beoordeeld:
1. de identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. de problemen met [persoon A] .
5. Verweerder gelooft de gestelde nationaliteit en herkomst, maar gelooft de gestelde identiteit niet. Ook vindt verweerder eisers verklaringen over de gestelde problemen met [persoon A] niet geloofwaardig. Volgens verweerder geldt voor beide asielmotieven dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Er wordt dus niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c en e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
6. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. Eiser heeft een geboorteakte overgelegd die met aan zekerheid grenzende waarschijnlijk niet echt is. Verweerder heeft daarnaast een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
Het oordeel van de rechtbank (aan de hand van de beroepsgronden)
Problemen met de tolk
7. Volgens eiser heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld door tweemaal dezelfde tolk in te zetten (tijdens het aanmeldgehoor en het nader gehoor), terwijl eiser heeft verzocht om een tolk die het Gambiaans Mandinka beheerst. Mandinka wordt gesproken in meerdere West-Afrikaanse landen, waaronder Gambia, Mali en Guinee. De Mandinka-varianten in deze landen verschillen echter aanzienlijk van elkaar. Verweerder is eraan voorbij gegaan dat eiser alleen uit beleefdheid heeft verklaard dat hij de tolk goed kon verstaan en dat eiser niet langer wilde wachten op zijn gehoor. Verweerder had eiser aanvullend moeten horen met een juiste tolk. De problemen met de tolk hebben ook geleid tot veel correcties en aanvullingen. Deze had verweerder moeten meenemen omdat hiermee een goede verklaring is gegeven voor het feit dat eiser terugkomt op eerdere verklaringen.
8. De rechtbank stelt vast dat het aanmeldgehoor en het nader gehoor zijn getolkt door registertolk Mandinka E. Koné. Eiser heeft verklaard Mandinka te spreken en het staat niet ter discussie dat de heer Koné een beëdigd tolk Mandinka is. Volgens verweerder is het gebruikelijk dat tolken Mandinka voor de verschillende dialecten worden ingezet en dat niet bekend is dat dit tot problemen leidt. Daarnaast heeft eiser herhaaldelijk bevestigd dat hij de tolk kon verstaan, zijn er afspraken zijn gemaakt aan het begin van het nader gehoor met zowel eiser als de tolk, en volgt uit het verloop van de gehoren zelf niet dat de vertaling niet goed verliep. Naar het oordeel van de rechtbank is dit op zich juist. De rechtbank verwijst in dit kader naar het aanmeldgehoor, waar eiser op de vraag of hij de tolk kon verstaan heeft geantwoord: “Ja. Ik spreek Mandinka. Ik versta en begrijp hem wel.” (p. 2). Op de afsluitende vragen over de tolk heeft hij geantwoord “Ja. Het gaat wel goed.” en “Het ging wel goed voor mij” (p. 14). Tijdens het nader gehoor heeft de hoormedewerker gevraagd of eiser de tolk goed kon verstaan en begrijpen in het Mandinka. Eiser verklaart dat hij de vorige keer had aangegeven dat hij iemand wilde die Gambiaans Mandinka spreekt. De hoormedewerker geeft dan aan dit verzoek te hebben gezien, maar dat er geen andere tolk beschikbaar is. Vanwege een zeer beperkt aantal Mandinka-tolken hanteert verweerder het principe dat deze tolken voor alle Mandinka-sprekenden. Eiser heeft vervolgens gezegd dat hij niet iets wilde zeggen en dan later nog een keer terug moeten komen. Daarop is afgesproken dat eiser en de hoormedewerker tijdens het gehoor zouden controleren of de vertaling nog goed gaat. Op de vraag of eiser het zou aangeven als hij het idee had dat de vertaling niet goed ging, heeft eiser verklaard: “Voor mij kunnen we wel het gesprek gewoon voortzetten en dan gaan we kijken. […] Maar, vandaag kunnen we gewoon praten, ik versta hem wel. Maar, ik wil het wel aan u melden.” Vervolgens heeft het gehoor plaatsgevonden en op het eind heeft verweerder gevraagd of eiser de tolk goed heeft kunnen begrijpen en verstaan. Dit heeft eiser bevestigd (p. 17). Op de vraag of eiser nog op- of aanmerkingen had over de werkwijze van de tolk, heeft eiser geantwoord “Nee, het ging goed” (p. 17).
9. Hoewel de rechtbank verweerders standpunt goed kan volgen gelet op wat hiervoor onder 8. is overwogen, is de rechtbank toch van oordeel dat onvoldoende zorgvuldig is gehandeld door geen gehoor te geven aan het verzoek om een tolk Gambiaans Mandinka. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat het nader gehoor een centrale en cruciale functie heeft in de asielprocedure. Doorgaans kan niet worden verwacht dat een vreemdeling zijn asielrelaas volledig met bewijsmateriaal staaft (p. 5 van werkinstructie 2024/6), en is het aan de vreemdeling om zijn asielrelaas met zijn verklaringen aannemelijk te maken. Hiervoor geldt de samenwerkingsplicht van verweerder met de vreemdeling.
10. De rechtbank vindt het aannemelijk dat er verschillen zijn tussen Gambiaans Mandinka en andere Mandinka dialecten. Dit bleek ook toen eiser en de tolk Mandinka die voor de zitting van 13 maart 2026 was ingeschakeld meteen aangaven elkaar niet te kunnen verstaan toen zij de zittingszaal binnenkwamen. Hoewel onduidelijk is gebleven in welk Mandinka dialect de heer Koné voor eiser heeft vertaald, neemt de rechtbank aan dat het geen Gambiaans Mandinka was en dat eiser hem dus minder goed kon verstaan (en andersom) dan wanneer wél gebruik was gemaakt van een tolk Gambiaans Mandinka. Ook stelt de rechtbank vast dat eiser al helemaal aan het begin van het aanmeldgehoor heeft aangegeven dat hij en de heer Koné elkaar bij de politie niet zo goed verstonden (“Allereerst, ik was bij de politie en we verstonden elkaar niet zo goed daar”, p. 2). Daarnaast heeft eiser ook meteen in de correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor het verzoek gedaan om een tolk Gambiaans Mandinka en is hij hierop teruggekomen aan het begin van het nader gehoor. Ook in de zienswijze van 20 november 2025 heeft eiser gewezen op de correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor op dit punt en gesteld dat er op 12 november 2025 via het advocatenportaal is verzocht om een tolk in het Gambiaans Mandinka tijdens het nader gehoor. Op de vraag (aan het begin van het nader gehoor) of eiser het zou aangeven als hij het idee had dat de vertaling niet goed ging, heeft eiser bovendien met twijfel ingestemd (“Voor mij kunnen we wel het gesprek gewoon voortzetten en dan gaan we kijken. […] Maar, vandaag kunnen we gewoon praten, ik versta hem wel. Maar, ik wil het wel aan u melden”).
11. Dat eiser tijdens het aanmeldgehoor en het nader gehoor uiteindelijk geen problemen had met (of in ieder geval: geen probleem heeft gemaakt van) de vertaling door de heer Koné en dat ook niet uit de gang van zaken tijdens de gehoren is gebleken dat eiser en de tolk elkaar niet konden verstaan, neemt niet weg dat hij vanaf het begin op meerdere momenten tijdens de procedure heeft verzocht om te worden gehoord door een tolk Gambiaans Mandinka en op verschillende momenten heeft aangegeven dat het niet zijn voorkeur had om met deze tolk verder te gaan. Voor zover er geen beëdigd tolken Gambiaans Mandinka zijn, zoals verweerder stelt, vindt de rechtbank dat er een niet-beëdigde tolk had moeten inzetten. De hoofdregel is weliswaar dat verweerder uitsluitend gebruik maakt van beëdigde tolken en vertalers, maar verweerder kan daarvan afwijken als er vanwege de nodige spoed geen registertolk tijdig beschikbaar is (artikel 28, derde lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers).
12. De beroepsgrond slaagt. Dit betekent dat verweerder eiser aanvullend moet horen met een tolk Gambiaans Mandinka en een nieuw besluit moet nemen over de asielaanvraag van eiser. Dat betekent ook dat de rechtbank nu niet inhoudelijk op eisers beroep zal ingaan.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen omdat het in strijd is met artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. De rechtbank zal daarom bepalen dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
14. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting, waarde per punt € 934,-, wegingsfactor 1) vanwege de door een derde verleende beroepsmatige rechtsbijstand.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep gegrond;
-
vernietigt het bestreden besluit;
-
draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
-
veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van P. Deinum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.