Vreemdelingenrecht

Plakvovo’s, verzoeken afgewezen.

Rechtbank Den Haag, 4 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 4 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
4 augustus 2026
Datum publicatie
24 augustus 2026
Zaaknummer
NL26.22930, NL26.22933
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:23848
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Plakvovo’s, verzoeken afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.22930 en NL26.22933

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker 1] , V-nummer: [v-nummer 1] , en

[verzoeker 2] , V-nummer: [v-nummer 2] , samen: verzoekers (gemachtigde: mr. J.I.T. Sopacua), en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluiten van 15 april 2026 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van verzoekers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvragen) niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van daarvan.

Verzoekers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld (zaaknummers NL26.22929 en NL26.22932). Zij hebben daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De rechtbank heeft partijen verzocht om toestemming om zonder zitting uitspraak te doen. Omdat geen van partijen binnen de gestelde termijn heeft verklaard gebruik te willen maken van het recht op een zitting te worden gehoord, heeft de rechtbank het onderzoek op 1 juli 2026 gesloten en de zaak niet behandeld op zitting. Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk.

Overwegingen

1. Een voorlopige voorziening is alleen mogelijk als de rechtbank nog niet op het beroep heeft beslist. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank op de beroepen van verzoekers beslist. Voorlopige voorziening zijn daarom niet meer mogelijk. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om die reden af.

2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

F.S. Ulrich, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

04 augustus 2026

[afbeelding niet beschikbaar]

Documentcode: 025-550-972-298

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.