Vreemdelingenrecht

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring niet voldoet aan de…

Rechtbank Den Haag, 20 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 20 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Haarlem
Datum uitspraak
20 augustus 2026
Datum publicatie
24 augustus 2026
Zaaknummer
NL26.23251
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:23879
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring niet voldoet aan de regels van de wet. Verweerder heeft Chili onterecht als veilig derde land voor eiseres aangemerkt. Gelet op Chileense wetgeving is het namelijk niet aannemelijk dat eiseres in Chili effectieve bescherming kan krijgen. Ook heeft verweerder nagelaten om eiseres te horen over haar bezwaren tegen uitzetting naar Chili.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.23251


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. M. Timmer)

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: J.A. Weststrate).

Samenvatting

1. De rechtbank heeft deze zaak op zitting behandeld en doet nu uitspraak. De rechtbank zal hieronder een samenvatting geven van de uitspraak. Die is bedoeld voor [eiseres] . De rechtbank zal haar hierna eiseres noemen.

2. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens en heeft daarvoor argumenten gegeven. Deze argumenten noemt de rechtbank de beroepsgronden. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag.

3. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring niet voldoet aan de regels van de wet. De minister, die de rechtbank verweerder noemt, heeft Chili onterecht als veilig derde land voor eiseres aangemerkt. Gelet op Chileense wetgeving is het namelijk niet aannemelijk dat eiseres in Chili effectieve bescherming kan krijgen. Ook heeft verweerder nagelaten om eiseres te horen over haar bezwaren tegen uitzetting naar Chili. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

4. Eiseres heeft een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 18 april 2026 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.

4.1.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

4.2.

De rechtbank heeft het beroep op 6 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

5. Eiseres stelt dat zij is geboren op [geboortedatum] 1988 en de Venezolaanse nationaliteit heeft. Eiseres werkte in Venezuela sinds 2022 als vrijwilliger voor de oppositiepartij [naam oppositiepartij] . De Venezolaanse autoriteiten hebben toegang gekregen tot haar gegevens nadat een lid van een chatgroep van [naam oppositiepartij] waar eiseres in zat, werd opgepakt. Ze is toen telefonisch bedreigd. Nadat de autoriteiten een operatie startten waarbij mensen zonder bevel werden gevangengenomen, heeft eiseres Venezuela verlaten.

Het bestreden besluit

6. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), zoals dit artikel destijds luidde, omdat verweerder Chili als veilig derde land voor eiseres beschouwt. Volgens verweerder heeft eiseres door haar eerdere verblijf van 2018 tot en met 2022 een band met Chili, is het aannemelijk dat zij opnieuw tot Chili zal worden toegelaten en is Chili veilig voor eiseres.

Heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat Chili een veilig derde land is voor eiseres?

7. Eiseres voert onder meer aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat Chili voor haar een veilig derde land is. Uit een recente Chileense wetswijziging volgt dat in Chili asielaanvragen niet-ontvankelijk worden verklaard als sinds het vertrek van de vreemdeling uit diens land van herkomst meer dan zestig dagen zijn verstreken. Eiseres heeft Venezuela al meer dan zestig dagen geleden verlaten, namelijk in juli 2025. Daardoor kan zij in Chili geen beroep doen op internationale bescherming en loopt zij risico op refoulement.

7.1.

Verweerder heeft ter zitting gesteld dat eiseres in Chili een visum heeft aangevraagd en vervolgens uit eigen beweging is vertrokken voor er op haar aanvraag is besloten. Volgens verweerder is het dus de eigen keuze van eiseres geweest om niet in Chili te blijven.

7.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat Chili voor eiseres als veilig derde land kon worden aangewezen en verwijst daarbij naar haar eerdere uitspraak van 10 februari 2026. Net als in die uitspraak, overweegt de rechtbank dat op grond van artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder e, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), zoals dit destijds luidde, een vereiste voor de niet-ontvankelijkverklaring is dat de mogelijkheid voor eiseres bestaat om in het derde land om een vluchtelingenstatus te verzoeken en, indien zij als vluchteling wordt erkend, bescherming te ontvangen overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag. De rechtbank constateert dat verweerder de inhoud van de door eiseres genoemde Chileense wetgeving niet heeft betwist in het besluit of ter zitting. Deze wetgeving brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich mee dat aannemelijk is dat eiseres geen mogelijkheid zal hebben om in Chili een verzoek om vluchtelingenstatus inhoudelijk te laten beoordelen dan wel bescherming te ontvangen overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag. Uit het dossier blijkt immers dat eiseres al sinds 4 april 2026 in Nederland is. Verweerder heeft geen redenen gegeven waarom eiseres in weerwil van deze wetgeving de vereiste bescherming toch kan krijgen in Chili. De enkele theoretische mogelijkheid om vluchtelingenstatus aan te vragen in lijn met het Vluchtelingenverdrag acht de rechtbank onvoldoende om te voldoen aan de voorwaarde van artikel 3.106a, eerste lid, aanhef en onder e, van het Vb. Bovendien miskent verweerder met zijn stelling ter zitting dat eiseres na haar vertrek uit Chili is teruggegaan naar Venezuela en dat haar asielmotieven pas daarna zijn ontstaan. Die stelling heeft hier dus geen betekenis. De beroepsgrond van eiseres slaagt.

Heeft verweerder eiseres voldoende zorgvuldig gehoord over Chili als veilig derde land?

8. Eiseres voert aan dat verweerder haar ten onrechte niet heeft gehoord over het tegenwerpen van Chili als veilig derde land. Door dat niet te doen heeft verweerder veel zaken die eiseres naar voren heeft gebracht in de procedure niet goed beoordeeld.

8.1.

Verweerder stelt dat eiseres in het nader gehoor de kans heeft gekregen om te vertellen in welke landen zij de afgelopen jaren heeft verbleven. De omstandigheden van haar verblijf heeft ze goed naar voren kunnen brengen. Haar is ook gevraagd in welke landen ze niet veilig is. Als Chili geen veilig land voor eiseres zou zijn, dan had het op haar weg gelegen om dat toen te benoemen. Dat heeft ze niet gedaan.

8.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiseres niet adequaat heeft gehoord over Chili als veilig derde land. Artikel 3.123f van het Vb, zoals dit destijds luidde, verplicht verweerder om alvorens een asielaanvraag niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 30a van de Vw de vreemdeling tijdens het nader gehoor in de gelegenheid te stellen zijn standpunt uiteen te zetten over het tegenwerpen van een veilig derde land. De rechtbank constateert dat verweerder niet aan eiseres heeft gevraagd wat haar standpunt is over het tegenwerpen van Chili als veilig derde land. Eiseres heeft ter zitting een toelichting gegeven over de xenofobie die zij heeft ervaren in Chili. Dat was dus ook bij uitstek een onderwerp waarover ze bevraagd had moeten worden in het gehoor. Ook hieruit blijkt dat het niet horen van eiseres een zwaarwegend gebrek is. Deze beroepsgrond slaagt ook.

8.3.

Nu het beroep alleen al om deze redenen gegrond is, ziet de rechtbank geen aanleiding om de overige beroepsgronden nog te bespreken.

Conclusie en gevolgen

9. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.

9.1.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.

9.2.

Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 18 april 2026;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder tot betaling van een bedrag van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Jongmans, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

ECLI:NL:RBDHA:2026:3606.