Vreemdelingenrecht

Beroep tegen terugkeerbesluit. Het beroep tegen het besluit van 21 februari 2024 is niet-ontvankelijk omdat…

Rechtbank Den Haag, 1 september 2026

Zaakgegevens

Op 1 september 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
1 september 2026
Datum publicatie
3 september 2026
Zaaknummer
NL24.13931
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:25364
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beroep tegen terugkeerbesluit. Het beroep tegen het besluit van 21 februari 2024 is niet-ontvankelijk omdat de beroepsgronden te laat zijn ingediend. Het beroep tegen het besluit van 21 juli 2025 is ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.13931


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , v-nummer: [x] , eiseres

(gemachtigde: mr. A. Kurt-Gecoglu),

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

1. De minister heeft met het besluit van 21 februari 2024 aan eiseres meegedeeld dat de tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming voor haar eindigt na 4 maart 2024, en zij met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. Daarom heeft de minister een terugkeerbesluit aan eiseres uitgevaardigd.

1.1.

Eiseres heeft op 29 maart 2024 beroep ingesteld tegen het besluit van 21 februari 2024 en gelijktijdig de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

1.2.

Bij uitspraak van 23 april 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en bepaald dat eiseres moet worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming op haar van toepassing is tot uitspraak is gedaan op het beroep.

1.3.

De minister heeft met het besluit van 21 juli 2025 het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 ingetrokken en een nieuw terugkeerbesluit aan eiseres uitgevaardigd. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het oorspronkelijke beroep van rechtswege ook betrekking op dit (nieuwe) terugkeerbesluit. Eiseres heeft op 27 oktober 2025 schriftelijke gronden ingediend tegen het besluit van 21 juli 2025.

1.4.

De rechtbank heeft partijen op 2 april 2026 laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

1.5.

De rechtbank heeft het vooronderzoek heropend op 12 juni 2026, omdat het vooronderzoek onvolledig is geweest. Het beroepschrift tegen het besluit van 21 februari 2024 is namelijk buiten de beroepstermijn ingediend. De rechtbank heeft eiseres in de gelegenheid gesteld om de rechtbank te laten weten waarom het beroepschrift te laat is ingediend. Eiseres heeft hierop niet gereageerd.

1.6.

De rechtbank heeft partijen op 17 augustus 2026 laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiseres heeft de Rwandese nationaliteit. Eiseres behoorde tot de zogenoemde groep ‘derdelanders’ die na het uitbreken van de oorlog in Oekraïne naar Nederland zijn gevlucht en hier tijdelijke bescherming kregen op grond van de Richtlijn Tijdelijke bescherming.

Het (oorspronkelijke) beroep tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024

3. De rechtbank stelt vast dat eiseres op 29 maart 2024 beroep heeft ingesteld tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024. Dat is te laat, omdat eiseres uiterlijk op 20 maart 2024 beroep had moeten instellen. De rechtbank heeft eiseres in het bericht van 12 juni 2026 gevraagd waarom het beroep na afloop van de beroepstermijn is ingediend, maar eiseres heeft hierop niet gereageerd. De rechtbank oordeelt daarom dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

Het (van rechtswege ontstane) beroep tegen het terugkeerbesluit van 21 juli 2025

4. De minister heeft in het terugkeerbesluit van 21 juli 2025 een nieuw terugkeerbesluit uitgevaardigd. Zoals ook onder 1.3 staat, heeft het oorspronkelijke beroep van rechtswege ook betrekking op dit nieuwe terugkeerbesluit. De niet-ontvankelijkheid van het op 29 maart 2024 ingestelde beroep werkt niet door in de ontvankelijkheid van het beroep dat van rechtswege is ontstaan. Dat betekent dat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden van eiseres tegen het terugkeerbesluit van 21 juli 2025.

In beroep

Mogelijkheid om aan eiseres een terugkeerbesluit op te leggen

5. Eiseres betoogt dat de minister geen terugkeerbesluit mocht uitvaardigen omdat zij op grond van de bevriezingsmaatregel nog tot 4 september 2025 in Nederland mocht verblijven. Eiseres verwijst naar het arrest van 19 december 2024 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) in de zaak Kaduna e.a..

5.1

Deze beroepsgrond slaagt niet. Het Hof heeft naar aanleiding van prejudiciële vragen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in het arrest Kaduna e.a. onder meer geoordeeld dat het lidstaten niet is toegestaan een terugkeerbesluit te nemen vóórdat de tijdelijke bescherming is beëindigd. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 uitgelegd hoe dit arrest moet worden toegepast en bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Dat eiseres op grond van de bevriezingsmaatregel tot en met 4 september 2025 in Nederland mocht blijven en gebruik heeft gemaakt van de rechten van de Richtlijn, komt omdat de gevolgen van het stoppen van de tijdelijke bescherming zijn bevroren als gevolg van de gestelde prejudiciële vragen. Deze bevriezing houdt niet in dat de tijdelijke bescherming is verlengd, maar enkel dat eiseres nog feitelijk mocht gebruikmaken van de rechten die zij vanwege de tijdelijke bescherming had. Dat betekent ook dat geen sprake was van rechtmatig verblijf of een andere vorm van toestemming tot verblijf in de zin van de Terugkeerrichtlijn. De minister kon eiseres daarom op 25 juli 2025 een terugkeerbesluit opleggen. De Afdeling heeft bij uitspraak van 31 oktober 2025 ook bevestigd dat de bevriezingsmaatregel niet maakt dat de minister geen terugkeerbesluit kon nemen.

Horen

6. Eiseres voert aan dat de minister haar had moeten horen alvorens haar een terugkeerbesluit op te leggen. Eiseres licht daarbij toe dat het terugkeerbesluit gevolgen heeft voor haar privéleven: eiseres heeft werk en sterke sociale banden opgebouwd in Nederland.

6.1

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat uit jurisprudentie van het Hof volgt dat het recht om te worden gehoord het recht omvat om, voordat een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd, het standpunt hieromtrent kenbaar te maken. Eiseres heeft deze gelegenheid gehad doordat zij binnen vier weken een schriftelijke reactie heeft kunnen geven op het voornemen van 4 juni 2025. Niet valt in te zien, en verder is ook niet onderbouwd, waarom eiseres in deze schriftelijke reactie niet alle relevante informatie naar voren heeft kunnen brengen. Het recht om gehoord te worden, verplicht niet tot een persoonlijk onderhoud.

Verder stelt eiseres dat sprake is van privéleven en dat zij werk heeft, maar onderbouwt dit verder niet. In deze enkele stelling heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om af te zien van het uitvaardigen van het terugkeerbesluit. Anders dan eiseres betoogt, ziet de rechtbank in de gegeven motivering in het bestreden besluit geen aanwijzing dat de minister niet heeft voldaan aan het evenredigheidsbeginsel. Eiseres heeft de schending van het (Unierechtelijke) evenredigheidsbeginsel ook niet verder toegelicht of concreet gemaakt.

Conclusie en gevolgen

7. De rechtbank verklaart het beroep tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 niet-ontvankelijk. De rechtbank verklaart het beroep tegen het terugkeerbesluit van 21 juli 2025 ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt, en het terugkeerbesluit van 21 juli 2025 in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep tegen het besluit van 21 februari 2024 niet-ontvankelijk;

  • verklaart het beroep tegen het besluit van 21 juli 2025 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse rechter, in aanwezigheid van

mr. L.G.C. Lelifeld, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Op grond van Richtlijn 2001/55/EG en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022. Zaaknummer: NL24.13932 (niet gepubliceerd). Artikel 8:57 van de Awb maakt dat mogelijk. Vergelijk ABRvS, 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2454. ECLI:EU:C:2024:1038. ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836. ECLI:NL:RVS:2025:5214. Arresten Mukarubega, ECLI:EU:C:2014:2336 en Boudjlida, ECLI:EU:C:2014:2431.