Vreemdelingenrecht

Vervolgberoep; art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 (onrechtmatig verblijf); geen gronden; ongegrond.

Rechtbank Den Haag, 25 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 25 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
25 augustus 2026
Datum publicatie
3 september 2026
Zaaknummer
NL26.45993
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:25389
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vervolgberoep; art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 (onrechtmatig verblijf); geen gronden; ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.45993


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [x] , eiser

(gemachtigde: mr. E.W.M. ter Meulen-Mouwen),

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

De minister heeft op 12 mei 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. Deze maatregel duurt nog voort.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

De rechtbank heeft deze maatregel al eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 5 juni 2026.

De rechtbank heeft het vooronderzoek op 18 augustus 2026 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.

Beoordeling door de rechtbank

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

2. Uit de uitspraak van 5 juni 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van sluiten van dat onderzoek, op 2 juni 2026, rechtmatig is.

Leidt ambtshalve toetsing tot onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring?

3. Eiser heeft, tot het sluiten van het onderzoek op 18 augustus 2026, geen gronden aangevoerd tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. De rechtbank ziet in de door de minister verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen grond voor het oordeel dat het voorduren van de bewaring op enig moment tot het sluiten van het onderzoek onrechtmatig was.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van

mr. N. Habibi, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000. Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 5 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:15392. Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000. Dit volgt uit artikel 96, derde lid, van de Vw 2000. Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.