Vreemdelingenrecht
Het beroep is kennelijk ongegrond omdat eiseres geen gronden heeft ingediend die betrekking hebben op de…
Rechtbank Den Haag, 28 augustus 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:25919 · Rechtbank Den Haag · 28 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-25919
Zaakgegevens
Op 28 augustus 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 28 augustus 2026
- Datum publicatie
- 7 september 2026
- Zaaknummer
- AWB 26/6464
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:25919
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Het beroep is kennelijk ongegrond omdat eiseres geen gronden heeft ingediend die betrekking hebben op de niet-ontvankelijk verklaring van haar bezwaar.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 26/6464
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: [betrokkene] ),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit van de minister van 14 april 2026.
Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf bij haar moeder, [betrokkene] . [betrokkene] wordt in deze uitspraak betrokkene genoemd.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 26 september 2025 afgewezen. Tegen dit besluit heeft [naam 1] ( [naam 1] ) van het buurtteam [naam 2] namens betrokkene bezwaar gemaakt.
De minister heeft betrokkene op 12 september 2025 schriftelijk in de gelegenheid gesteld om een machtiging te overleggen waaruit blijkt dat zij mevrouw [naam 1] heeft gemachtigd om namens haar bezwaar in te dienen. Betrokkene heeft hier niet op gereageerd. Vervolgens heeft de minister het bezwaar bij besluit van 14 april 2026 niet-ontvankelijk verklaard. Omdat betrokkene geen machtiging heeft overgelegd, voldoet het bezwaar niet aan de wettelijke vereisten, aldus de minister.
Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank heeft eiseres in de gelegenheid gesteld om de gronden van haar beroep in te dienen. Betrokkene – in beroep tevens de gemachtigde van eiseres – heeft vervolgens (inhoudelijk) toegelicht waarom zij vindt dat aan haar dochter een mvv zou moeten worden verleend. De rechtbank heeft op 15 juli 2026 betrokkene erop gewezen dat de gronden van beroep mede betrekking moeten hebben op de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar. Daarbij heeft de rechtbank aangegeven dat zij het beroep ongegrond kan verklaren, wanneer het beroepschrift niet aan dit vereiste voldoet.
3. Betrokkene heeft namens eiseres op 24 juli 2026 gereageerd, maar nog steeds niet uitgelegd waarom zij het niet eens is met de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar.
4. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk ongegrond is, omdat eiseres geen gronden heeft ingediend die betrekking hebben op de niet-ontvankelijk verklaring van haar bezwaar.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is (kennelijk) ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.R. Hoogenberk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.