Vreemdelingenrecht

Dublin, Verzet, niet-ontvankelijk, mondelinge uitspraak.

Rechtbank Den Haag, 25 juni 2026

Zaakgegevens

Op 25 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
25 juni 2026
Datum publicatie
10 september 2026
Zaaknummer
NL26.12043 V
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:26236
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Dublin, Verzet, niet-ontvankelijk, mondelinge uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.12043 V


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen


[opposant], V-nummer: [V-nummer], opposant

(gemachtigde: mr. F. Arslan)

en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M. Latul).

Inleiding

Bij besluit van 3 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van opposant niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Opposant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Het beroep is bij uitspraak van 21 april 2026 (de bestreden uitspraak) buiten zitting kennelijk ongegrond verklaard.

Opposant heeft op 13 mei 2026 tegen de bestreden uitspraak verzet ingediend.

Het onderzoek op zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2026. Hieraan hebben opposant, de gemachtigde van opposant en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Als tolk is verschenen de heer P. Oronsaye.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het verzet niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van opposant tot een bedrag van € 934,-.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt vast dat het claimakkoord is gegeven op 21 december 2025. Gelet hierop is de uiterste termijn om eiser over te dragen aan Frankrijk verlopen op 21 juni 2026. Nu opposant niet tijdig is overgedragen aan Frankrijk, moet hij in Nederland opgenomen worden in de nationale procedure. Hiermee is bereikt wat eiser in het beste geval had kunnen bereiken met de behandeling van het verzet, waardoor zijn procesbelang is komen te vervallen. De rechtbank verklaart daarom het verzet niet-ontvankelijk.

2. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door opposant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,00 (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift en 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan in het openbaar op 22 juni 2026 door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

NL26.12043 en NL26.12044. Zie artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening.