Vreemdelingenrecht
Aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond o.m. i.v.m. valse verklaringen en nationaliteit verborgen…
Rechtbank Den Haag, 14 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:26827 · Rechtbank Den Haag · 14 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-26827
Zaakgegevens
Op 14 september 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 14 september 2026
- Datum publicatie
- 15 september 2026
- Zaaknummer
- NL25.40206
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26827
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond o.m. i.v.m. valse verklaringen en nationaliteit verborgen gehouden. Dubbele nationaliteit Syrische en Armeense. Vanwege Armeense nationaliteit terug naar Armenië. Beroep n.o., omdat er al een beslissing is genomen i.h.k.v. BNT en voor het overige ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.40206
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. A.C.J. Letmaath),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. P. Looijenga).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen belang meer heeft bij een beslissing op het beroep tegen het niet tijdig beslissen en dat de afwijzing van de asielaanvraag voor het overige in stand kan blijven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet onzorgvuldig gehandeld door eiser niet aanvullend te horen over zijn bezwaren tegen terugkeer naar Armenië. Ook is het feit dat eiser geen band met Armenië heeft geen reden om hem een verblijfsvergunning asiel te verlenen. Tot slot mocht de minister de aanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft de minister gevraagd om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Hij stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1986. Tijdens de asielprocedure is komen vast te staan dat eiser ook de Armeense nationaliteit heeft. De minister heeft met het bestreden besluit van 24 februari 2026 de aanvraag van eiser in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Lofti als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser kan niet vertrekken naar Armenië. Hij heeft daar geen band mee. Eiser is nooit in Armenië geweest, spreekt de taal niet, heeft er geen familie wonen, heeft er geen huisvesting, geen inkomen en geen werk.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister het volgende relevante element:
- terugkeer naar Armenië.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat het feit dat eiser nooit in Armenië is geweest en daar niemand kent er niet aan afdoet dat hij de Armeense nationaliteit heeft en dat dit voor hem dus een veilig land is. De minister heeft daarom de asielaanvraag afgewezen.
Heeft de minister tijdig beslist op de asielaanvraag?
5. Eiser heeft de rechtbank verzocht om te bepalen dat de minister niet tijdig op de asielaanvraag heeft beslist en de minister te veroordelen in de kosten van de procedure.
Eiser heeft op 10 oktober 2023 asiel aangevraagd. De minister had daar binnen 21 maanden op moeten beslissen, dus uiterlijk op 10 juli 2025. Eiser heeft op 25 augustus 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag door de minister. Tijdens het beroep heeft de minister alsnog een besluit genomen op de asielaanvraag, namelijk op 24 februari 2026. Het beroep is van rechtswege ook gericht tegen dat besluit. Omdat de minister alsnog een besluit heeft genomen, heeft eiser geen procesbelang meer bij een uitspraak op het beroep tegen het niet tijdig beslissen. In zoverre is het beroep niet-ontvankelijk.
Omdat eiser het beroep tegen het niet tijdig beslissen op goede gronden heeft ingesteld, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5 (licht)). De rechtbank is van oordeel dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen van licht gewicht is, omdat dat alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschrijden.
Had de minister eiser aanvullend moeten horen over vertrek naar Armenië?
6. Eiser voert aan dat de minister hem aanvullend had moeten horen over vertrek naar Armenië. Het was immers niet duidelijk of eiser veilig zou kunnen vertrekken naar Armenië. In het nader gehoor is vertrek naar Armenië niet aan de orde gekomen.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In het nader gehoor heeft de hoormedewerker eiser gevraagd waarom hij voor Europa heeft gekozen en niet Armenië, waarom eiser nooit in Armenië is geweest en of het voor eiser mogelijk was om naar Armenië te vluchten. Eiser heeft op die vragen geantwoord dat hij de Armeense taal niet spreekt, er nooit is geweest en er niemand kent. Die redenen zijn vergelijkbaar met de beroepsgronden. Daar komt bij dat de minister er terecht op heeft gewezen dat eiser tijdens de gehoren zijn Armeense nationaliteit heeft verzwegen. Daarom was er voor de hoormedewerker geen aanleiding om meer vragen te stellen over terugkeer naar Armenië en zich vooral te richten op eisers bezwaren tegen terugkeer naar Syrië, van welk land eiser ook de nationaliteit heeft en waar hij tot aan zijn vertrek naar Europa verbleef. Onder die omstandigheden heeft de minister het besluit niet onzorgvuldig voorbereid.
Moet eiser vertrekken naar Armenië?
7. Eiser voert aan dat hij niet kan vertrekken naar Armenië. Hij heeft geen band met het land, is er nooit geweest, spreekt de taal niet en heeft er geen bekenden wonen. Omdat eiser medische problemen heeft is communicatie voor hem extra belangrijk. Hij heeft medicijnen nodig en moet met dokters spreken. In Nederland woont de broer van eiser, die Nederlands spreekt en kan helpen met communicatie. In Armenië is eiser op zichzelf aangewezen.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Dat eiser medicijnen nodig heeft en met dokters moet spreken, is geen reden om aan te nemen dat eiser in Armenië te maken krijgt met een onmenselijke of vernederende behandeling. Eiser heeft daar ook niets concreets over aangevoerd. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de overige redenen waarom eiser niet wil terugkeren naar Armenië sociaaleconomische omstandigheden zijn, die geen asielmotieven zijn. Dat eiser nooit in Armenië is geweest, de taal niet spreekt en er niemand kent zijn namelijk geen redenen om asiel te verlenen op grond van het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 van het EVRM.
Mocht de minister de asielaanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond?
8. Eiser voert aan dat de minister de aanvraag niet als kennelijk ongegrond had mogen afwijzen omdat Armenië een veilig land van herkomst is. Armenië is namelijk geen veilig land van herkomst meer.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In het verweerschrift heeft de minister niet langer gehandhaafd dat hij de aanvraag afwijst als kennelijk ongegrond omdat Armenië een veilig land van herkomst is. Dat laat echter onverlet dat de minister de aanvraag heeft afgewezen en mocht afwijzen als kennelijk ongegrond om andere redenen. De minister heeft terecht overwogen dat eiser de minister heeft misleid over zijn nationaliteit. Uit het individueel ambtsbericht blijkt immers dat eiser een Armeens paspoort heeft. Dat staat tussen partijen nu ook niet meer ter discussie. Eiser heeft tijdens de gehoren echter verklaard dat hij alleen de Syrische nationaliteit heeft en niet de Armeense. Hiermee heeft eiser relevante informatie of documenten die een negatieve invloed op de beslissing op de asielaanvraag hadden kunnen hebben achtergehouden. Ook heeft de minister terecht overwogen dat eiser hiermee kennelijk valse verklaringen heeft afgelegd. De minister had en heeft dus nog steeds voldoende grond om de aanvraag als kennelijk ongegrond af te wijzen.
Conclusie en gevolgen
9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk en het beroep is voor het overige ongegrond. Dat betekent dat eiser moet terugkeren naar Armenië.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het niet tijdig beslissen door de minister;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Wilts, rechter, in aanwezigheid van P.P. van Essen - van 't Ende, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.