Vreemdelingenrecht
Grensdetentie; artikel 6, derde lid, van de Vw; Iran; besluit- en vertrekmoratorium; beroep gegrond.
Rechtbank Den Haag, 16 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:26928 · Rechtbank Den Haag · 16 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-26928
Zaakgegevens
Op 16 september 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 16 september 2026
- Datum publicatie
- 16 september 2026
- Zaaknummer
- NL26.52202
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26928
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Grensdetentie; artikel 6, derde lid, van de Vw; Iran; besluit- en vertrekmoratorium; beroep gegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.52202
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. A.H.A. Kessels),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 5 september 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met schriftelijke afdoening van de zaak. Eiseres heeft de gronden van beroep ingediend. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens op 16 september 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
2. Op grond van artikel 5.1a van het Vb wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Lichter middel
3. Eiseres voert onder meer - samengevat - aan dat de minister een lichter middel had moeten opleggen gezien het besluit- en vertrekmoratorium dat geldt voor Iran. Eiseres haar identiteit en Iraanse nationaliteit konden ook meteen worden vastgesteld aan de hand van haar originele Iraanse paspoort. De minister heeft onvoldoende onderzocht of met een lichter middel kon worden volstaan.
De minister voert - samengevat - aan dat ondanks dat eiseres stelt de Iraanse nationaliteit te bezitten en om politieke redenen gevlucht te zijn, niet op voorhand kan worden gezegd dat de asielaanvraag niet in de grensprocedure kan worden afgedaan. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de minister enige tijd moet worden gegund om te beoordelen of de asielaanvraag inderdaad in de grensprocedure kan worden afgedaan, ook in het geval van een goed gedocumenteerde vreemdeling of een waarschijnlijk inwilligbaar verzoek. Tijdens het gehoor zijn er verder voldoende vragen gesteld over het bestaan van familieleden, fysieke of mentale aandoeningen, rechtmatig verblijf of andere spoedeisende omstandigheden die aanleiding zouden kunnen geven alsnog toegang te verlenen tot Nederland en haar in de gelegenheid te stellen de asielprocedure in vrijheid te doorlopen. Vervolgens is terecht op basis van de verklaringen van eiseres in de maatregel overwogen dat zij geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die zouden moeten leiden tot de conclusie dat de maatregel onevenredig bezwarend is. Er zijn ook onvoldoende aanknopingspunten om een lichter middel op te leggen.
De rechtbank volgt eiseres in haar standpunt en komt tot het oordeel dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is opgelegd. De rechtbank is als volgt tot dit oordeel gekomen. Eiseres is op Schiphol aangekomen met een geldig origineel nationaal Iraans paspoort. De Iraanse nationaliteit van eiseres is hiermee bevestigd en de rechtbank heeft in het dossier en het verweerschrift ook geen aanknopingspunten gezien om daaraan te twijfelen. Sinds 19 maart 2026 geldt er een besluit- en vertrekmoratorium voor asielzoekers uit Iran. Uit het proces-verbaal van gehoor voor het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel blijkt dat de minister bij de vraag of er feiten of omstandigheden zijn die zouden moeten leiden tot de conclusie dat de vrijheidsontnemende maatregel onevenredig bezwarend is, ook betrekt of een besluit- en vertrekmoratorium van toepassing is voor het land waarvan betrokkene de nationaliteit bezit. Echter, de minister heeft in het proces-verbaal van het gehoor niet aangekruist dat deze omstandigheid voor eiseres van toepassing is en ook blijkt niet dat in het gehoor hier op een andere wijze aandacht aan is besteed. Ook heeft de minister op geen enkele wijze in de maatregel laten zien dat met het bestaan van het besluit- en vertrekmoratorium voor Iran rekening is gehouden. In de gronden van beroep heeft eiseres eveneens gewezen op het bestaan van het besluit- en vertrekmoratorium. Ook in het verweer is de minister echter niet inhoudelijk ingegaan op het bestaan van het
besluit- en vertrekmoratorium en de betekenis daarvan voor afdoening van de asielaanvraag in de asielgrensprocedure en de opgelegde maatregel. Omdat de minister niet gemotiveerd heeft waarom het geldende besluit- en vertrekmoratorium voor asielzoekers uit Iran in het geval van eiseres niet leidt tot de conclusie dat de maatregel tot vrijheidsontneming niet onevenredig bezwarend is voor eiseres. Dit maakt al dat de maatregel onrechtmatig is opgelegd. De rechtbank overweegt verder dat door het bestaan van het besluit- en vertrekmoratorium het hoogst onwaarschijnlijk is dat de beslissing op de asielaanvraag zal worden genomen binnen de termijn van de asielgrensprocedure. Immers, vanwege het moratorium wordt de beslissing op een lopende aanvraag uitgesteld en de beslistermijn verlengd met een jaar, tot maximaal 21 maanden. Hierdoor was, anders dan de minister stelt, op voorhand al duidelijk dat deze grondslag niet toegepast kon worden. Ook dit maakt dat de maatregel onrechtmatig is opgelegd.
4. Aangezien de hiervoor besproken beroepsgrond al tot de conclusie leidt dat de bewaring van meet af aan onrechtmatig was, ziet de rechtbank geen aanleiding om de overige door eiseres aangevoerde beroepsgronden te bespreken.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond en de maatregel is vanaf het moment van opleggen daarvan, dus vanaf 5 september 2026, onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van vandaag.
6. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel beveelt aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 12 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) bewaring van 12 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.440,-.
7. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel van bewaring met ingang van vandaag;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 1.440,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van
C. Holmond, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.