Vreemdelingenrecht

regulier, visum kort verblijf, doel en omstandigheden, hoorplicht geschonden, tussenuitspraak.

Rechtbank Den Haag, 26 juni 2026

Zaakgegevens

Op 26 juni 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
26 juni 2026
Datum publicatie
16 september 2026
Zaaknummer
NL24.2370
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:26958
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

regulier, visum kort verblijf, doel en omstandigheden, hoorplicht geschonden, tussenuitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.2370


tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer als bedoeld in artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. L.K. Matpanözer),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. H.M.M. van Dooren).

Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.

Eiseres heeft op 8 mei 2023 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit van 26 april 2023.

Bij besluit van 12 januari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.

Eiseres heeft op 22 januari 2024 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en op 29 januari 2024 gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 2 februari 2026 een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft op 5 februari 2026 aanvullende gronden ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens zijn verschenen [naam 1], referente, en [naam 2], zoon van referente en vriend van eiseres.

(Totstandkoming van) het bestreden besluit

Inleiding

1. Eiseres heeft de Filipijnse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum]. Zij heeft op 13 april 2023 verzocht om de afgifte van een visum voor kort verblijf. Eiseres heeft het visum aangevraagd om haar partner, [naam 2], en zijn familie te bezoeken. Met het primaire besluit heeft verweerder de visumaanvraag afgewezen.

Het bestreden besluit

2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de visumaanvraag van eiseres gehandhaafd op basis van twee weigeringsgronden, namelijk (1) dat zij het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond en (2) dat er redelijke twijfel bestaat over haar voornemen om het grondgebied van de lidstaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het visum te verlaten.

Overwegingen

Beroepsgronden

3. Eiseres stelt dat verweerder de twee hiervoor genoemde weigeringsgronden ten onrechte heeft tegengeworpen. Daarnaast betoogt eiseres dat verweerder onterecht heeft nagelaten om haar in de bezwaarfase te horen. Tot slot is namens eiseres op zitting betoogt dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door niet te horen maar wel zeer kort voor het nemen van het bestreden besluit telefonisch contact op te nemen met referente en - zonder van dit gesprek een verslag te maken – de tijdens dit gesprek verkregen informatie in het bestreden besluit te verwerken. Bovendien heeft verweerder in het bestreden besluit informatie uit het gesprek afgeleid die onjuist is en niet overeenkomt met wat referente in het gesprek heeft gezegd.

Juridisch kader en toetsingsmaatstaf

4. Op grond van artikel 32, eerste lid, van de Verordening (EG) nr. 810/2009 (de Visumcode) wordt een visum geweigerd:

a. indien de aanvrager: […] ii. het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond; […], of

indien er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager of zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.

4.1.

Uit het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862, volgt dat de autoriteiten bij het onderzoek van een visumaanvraag over een ruime beoordelingsruimte beschikken met betrekking tot de toepassingsvoorwaarden van (onder andere) artikel 32, eerste lid, van de Visumcode en de beoordeling van de relevante feiten, om te bepalen of een van de weigeringsgronden aan de aanvrager kan worden tegengeworpen.

Beoordeling door de rechtbank

Doel en omstandigheden van het voorgenomen verblijf

5. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder erkend dat in het bestreden besluit onrecht is opgenomen dat eiseres haar visum ook zou willen gebruiken om naar Spanje op vakantie te gaan en dat om die reden het doel van het voorgenomen verblijf onduidelijk is. Volgens verweerder blijkt uit de interne notitie die de IND-medewerker na een telefoongesprek met referente heeft opgesteld niet dat referente dit heeft gezegd. Aan eiseres wordt dus niet langer tegengeworpen dat zij met haar visum ook op vakantie naar Spanje wil gaan, terwijl zij eerder had aangegeven naar Nederland te willen komen om haar vriend en zijn familie te bezoeken en om kennis te maken met Nederland en de Nederlandse cultuur. Verweerder handhaaft echter het standpunt dat eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond omdat zij enerzijds heeft verklaard slechts naar Nederland op vakantie te willen maar tegelijkertijd ook heeft aangegeven haar vakantie hier te willen gebruiken om te kijken of zij zich hier zou willen vestigen, waar een visum voor kort verblijf niet voor is bedoeld.

5.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd waarom het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet zijn aangetoond. Niet in geschil is dat de zoon van referente en eiseres jarenlang op afstand een relatie hebben, dat zij via internet contact houden en dat de zoon van referente eiseres al drie keer in de Filipijnen heeft bezocht. Gelet hierop volgt de rechtbank verweerder niet in zijn stelling dat eiseres onvoldoende heeft aangetoond een (duurzame) relatie met de zoon van referente te hebben. Verweerder heeft onvoldoende gewicht toegekend aan het feit dat de zoon van referente eiseres al meermaals heeft bezocht. Dat zij elkaar niet vaker hebben gezien, is gelet op de grote afstand niet vreemd. Nu de zoon van referente eiseres een aantal keren heeft bezocht, is het begrijpelijk dat eiseres hem eens in Nederland zou willen bezoeken. De zoon van referente heeft ter zitting verklaard dat hij en eiseres van plan zijn om (uiteindelijk) te gaan trouwen en in Nederland te gaan samenwonen. Daarvoor willen ze op enig moment een verblijfsvergunning voor eiseres aanvragen. Ook in dat kader is het, in tegenstelling tot wat verweerder stelt, niet vreemd dat eiseres eerst een keer naar Nederland komt voor een vakantie voordat zij besluit om een verblijfsvergunning aan te vragen met het doel om met de zoon van referente te gaan samenleven.

5.2.

Gelet op het voorgaande berust het standpunt van verweerder dat de weigeringsgrond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Visumcode zich voordoet, niet op een deugdelijke motivering. In zoverre kan het bestreden besluit dan ook niet in stand blijven.

Hoorplicht en telefoongesprek kort voor de zitting

6. Verweerder heeft afgezien van het horen van eiseres en referente in bezwaar. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden afgezien van het horen van een belanghebbende indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Hiervan is sprake indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend besluit. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, benadrukt dat het horen een essentieel onderdeel vormt van de bezwaarschriftprocedure en de vuistregel geformuleerd dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover met verweerder heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om haar uit te nodigen voor een hoorzitting.

6.1.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onterecht heeft nagelaten eiseres te horen over het doel en de omstandigheden van haar voorgenomen verblijf in Nederland (zie hiervoor) en over de vraag of eiseres na een bezoek aan Nederland tijdig zal terugkeren naar haar land van herkomst. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat er een vestigingsgevaar bestaat omdat de economische en sociale binding van eiseres met haar land van herkomst te gering is. De rechtbank stelt vast dat eiseres vanwege haar leeftijd inderdaad minder sociale en economische binding heeft met de Filipijnen dan een persoon met een hogere leeftijd: eiseres is ongehuwd, zij heeft geen kinderen, zij studeert en heeft daarom nog geen vast dienstverband. Dat het voor eiseres vanwege haar leeftijd minder eenvoudig is om op grond van objectieve elementen aannemelijk te maken dat zij wel degelijk voornemens is Nederland na haar vakantie tijdig te verlaten en naar de Filipijnen terug te keren, is op zichzelf echter onvoldoende om te twijfelen aan de tijdige terugkeer van eiseres. Een hoorzitting had verweerder de kans geboden om twijfels over haar tijdige terugkeer te bespreken en te bezien of er andere mogelijkheden zijn om een tijdige terugkeer te waarborgen. Verweerder had bij die gelegenheid ook vragen kunnen stellen over de studie van eiseres (aan eiseres is tegengeworpen dat zij enkel het bewijs van inschrijving en toelating heeft overgelegd) en de plannen van eiseres en familieleden om te emigreren (aan eiseres is tegengeworpen dat haar vader en moeder en zijzelf op enig moment naar Canada of Australië zouden willen emigreren).

6.2.

Kort voor de beslissing op bezwaar heeft een IND-medewerker onaangekondigd telefonisch contact opgenomen met referente om een aantal verhelderende vragen te stellen. Verweerder heeft van dit gesprek enkel een interne notitie gemaakt zonder referente of eiseres hierover te informeren. In het bestreden besluit heeft verweerder vervolgens opgenomen dat referente tijdens het telefoongesprek zou hebben verklaard dat eiseres ook met het gezin van referente naar Spanje op vakantie zou willen gaan. Dit vormde voor verweerder ook reden om te twijfelen aan het doel van het voorgenomen kortdurend verblijf. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder erkend dat uit de interne notitie niet blijkt dat referente dit heeft gezegd. Uit het feit dat verweerder telefonisch contact met referente heeft opgenomen volgt dat verweerder kennelijk nadere informatie of opheldering zocht teneinde een goed gemotiveerde beslissing te kunnen nemen. Er was dus wel degelijk aanleiding eiseres en/of referente en haar zoon te horen. De keuze om kort voor de zitting onaangekondigd telefonisch contact op te nemen met referente en om de verkregen informatie vervolgens zonder verslaglegging en bovendien op feitelijk onjuiste wijze in het bestreden besluit te verwerken, acht de rechtbank in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

Conclusie en vervolg

7. Op grond van wat hiervoor is overwogen is het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2, 7:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak.

7.1.

De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan, met inachtneming van deze tussenuitspraak, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Bij het herstellen van de gebreken zal verweerder rekening moeten houden met gewijzigde en nieuwe feiten en omstandigheden. De gebreken moeten dus ex nunc worden hersteld. Verweerder zal daarom rekening moeten houden met hetgeen tijdens de zitting naar voren is gebracht en hetgeen tijdens de hoorzitting zal worden besproken. De rechtbank zal de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen vaststellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.

7.2.

Als verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, dient hij dat op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb en om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk mee te delen aan de rechtbank. Als verweerder wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beide gevallen en in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

7.3.

De rechtbank overweegt dat het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, in beginsel beperkt blijft tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in deze tussenuitspraak. Zij zal het in beginsel in strijd met de goede procesorde achten als nieuwe geschilpunten worden ingebracht.

7.4.

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.

De tussenuitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze tussenuitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.