Vreemdelingenrecht
Doorsturen als bezwaar; MVV.
Rechtbank Den Haag, 12 februari 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:2726 · Rechtbank Den Haag · 12 februari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-2726
Zaakgegevens
Op 12 februari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 12 februari 2026
- Datum publicatie
- 13 februari 2026
- Zaaknummer
- NL25.43883
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:2726
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Doorsturen als bezwaar; MVV.
Uitspraak
ECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.43883
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 februari 2026 in de zaak tussen
[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes),
en
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van eiseres om haar beroepschrift door te verwijzen naar de minister als bezwaarschrift. De rechtbank ziet hiervoor aanleiding en verwijst het beroepschrift door als bezwaarschrift naar de minister. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 21 juni 2023 een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf ingediend. Eiseres heeft op 10 september 2025 haar (derde) beroep tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag ingediend. De minister heeft op 1 december 2025 – voordat de rechtbank het beroep van eiseres heeft kunnen behandelen – een besluit genomen op de aanvraag van eiseres.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
3. De minister heeft een inhoudelijk besluit op de aanvraag van eiseres genomen. De rechtbank is niet gebleken dat eiseres nog een belang heeft bij een beoordeling van haar beroep tegen het niet tijdig beslissen. Het beroep is daarom, voor zover het zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk.
4. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft van rechtswege mede betrekking op het alsnog genomen besluit. Eiseres heeft verzocht om het beroep tegen het alsnog genomen besluit te verwijzen naar de minister om daar als bezwaar te worden behandeld. De rechtbank verwijst daarom het beroep naar de minister om daar als bezwaar te worden behandeld.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank verwijst het beroep naar de minister om daar als bezwaar te worden behandeld. Eiseres krijgt een vergoeding van haar proceskosten, omdat de minister niet op tijd had beslist en eiseres dus terecht beroep had ingesteld. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt Deze vergoeding stelt de rechtbank vast op € 233,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 met een wegingsfactor 0,25). Omdat eiseres is vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen, hoeft de minister dit niet te vergoeden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep, voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk;
-
verwijst het beroep, voor zover dat is gericht tegen het besluit van 1 december 2025, naar de minister om daar als bezwaar te worden behandeld;
-
veroordeelt de minister tot betaling van € 233,50,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van
S. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.