Vreemdelingenrecht
Bewaring 59b. Gronden. Lichter middel. Niet bijzonder kwetsbaar. Ongegrond.
Rechtbank Den Haag, 18 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:27551 · Rechtbank Den Haag · 18 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-27551
Zaakgegevens
Op 18 september 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 18 september 2026
- Datum publicatie
- 21 september 2026
- Zaaknummer
- NL26.52230
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27551
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bewaring 59b. Gronden. Lichter middel. Niet bijzonder kwetsbaar. Ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.52230
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. S. de Vries).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 4 september 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2° van de Vw 2000 voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. De vreemdelingenbewaring moet noodzakelijk voor het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan de asielaanvraag. Het gaat om gegevens die niet kunnen worden verkregen als de vreemdeling niet in bewaring wordt gehouden. Dit kan met name het geval zijn als sprake is van een onderduikrisico. Daarnaast moeten ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb 2000 zich voordoen.
De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. In het besluit tot vreemdelingenbewaring vermeldt de minister de feitelijke en juridische gronden waarop de vreemdelingenbewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een asielaanvraag.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden.
Kunnen de door de minister vermelde gronden de maatregel dragen?
5. Eiser betwist de gronden a en p. Verder voert hij aan dat de gronden b en j feitelijk aanwezig zijn, maar dat niet betekent dat eiser zich aan zijn asielprocedure zal onttrekken. Dat blijkt ook niet uit zijn verklaringen. De motivering van de minister ziet vooral op het niet vrijwillig zullen vertrekken van eiser maar de maatregel ziet niet op uitzetting maar op het zich beschikbaar houden voor de asielprocedure. Eiser wil hier asiel en heeft verklaard dat hij zijn aanvraag met bewijzen kan onderbouwen; ook zijn tatoeages onderbouwen dit.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser heeft de feitelijke juistheid van de gronden b en j niet betwist. Deze gronden mag de minister aan eiser tegenwerpen omdat deze feitelijk juist zijn. Ook is voldoende gemotiveerd waarom sprake is van een onderduikrisico. Daartoe heeft de minister mogen verwijzen naar de gronden en naar de omstandigheid dat eiser ook tijdens eerdere opvang mob is gegaan. Dat in de maatregel ook wordt gewezen op het feit dat eiser niet vrijwillig zal vertrekken, wat bij de vreemdelingenbewaring van asielzoekers niet relevant is, doet hier niet aan af omdat in de maatregel voldoende is gemotiveerd waarom het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De enkele stelling van eiser dat hij hier asiel wil en zijn aanvraag kan onderbouwen is, gelet op het voorgaande, onvoldoende om te oordelen dat geen onderduikrisico bestaat. De gronden b en j zijn daarmee voldoende om de maatregel te dragen. De rechtbank beoordeelt daarom de betwisting van de andere gronden niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
6. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser heeft namelijk tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel een concreet alternatief aangeboden. Hij heeft verklaard dat hij een woonadres kan verstrekken en dat hij onderbouwend bewijs kan leveren voor zijn asielaanvraag. De minister heeft dit verworpen omdat het adres van eiser geen BRP-adres is, maar eiser kan ook op het woonadres traceerbaar zijn. In combinatie met een intensieve meldplicht of aanwijzing om daar te verblijven, kan dit het risico op onttrekking voldoende beperken. Dat eiser eerder vanuit de LVV mob is gegaan is ook onvoldoende om van dit alternatief af te zien. Reguliere opvang in de LVV kan niet zonder meer gelijk worden gesteld met een eerder geprobeerd en mislukt lichter middel. Juist ook vanwege de bijzondere kwetsbaarheid van eiser had de minister moeten onderzoeken of eisers geboden alternatief voldoende waarborgen bood. Bovendien heeft de minister bij de beoordeling een onjuist beoordelingskader gehanteerd, omdat in de maatregel verschillende keren wordt gewezen op het niet zelfstandig zullen vertrekken (naar Marokko) terwijl de maatregel van 59b van de Vw 2000 niet gericht is op uitzetting.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daartoe heeft de minister ten eerste kunnen verwijzen naar de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, waaruit een onderduikrisico volgt. Over een woonadres heeft eiser in het gehoor voorafgaand aan de maatregel verklaard dat hij af en toe verblijft bij iemand, dat die hem ook wil helpen bij het krijgen van een woning en dat hij bij zijn vriend slaapt en nog iemand die hem wil helpen. Dit heeft de minister onvoldoende mogen vinden om te gelden als adres waaraan een lichter middel kan worden verbonden. Ook heeft de minister terecht gewezen op de omstandigheid dat eiser eerder tijdens opvang in een LVV mob is gegaan. Wat eiser daar nog over gesteld heeft, doet aan het voorgaande niet af, omdat dit onverlet laat dat eiser tijdens opvang in het LVV mob is gegaan en daaruit volgt dat eiser zich aan het toezicht heeft onttrokken. De minister heeft verder in de maatregel ook aandacht besteed aan de lichamelijke klachten van eiser en voldoende gemotiveerd waarom dit geen aanleiding geeft voor toepassing van een lichter middel. Wat betreft de verwijzing naar het niet zelfstandig zullen vertrekken verwijst de rechtbank naar wat onder 5.1 is overwogen. De minister heeft dus niet een onjuist beoordelingskader gehanteerd. Dat in de maatregel staat dat eiser per 31 oktober 2026 mob is gegaan, waar eiser nog op heeft gewezen, leidt niet tot een ander oordeel omdat dit overduidelijk een kennelijke verschrijving betreft. Het gaat om 31 oktober 2024.
Bijzondere kwetsbaarheid van eiser
7. Eiser voert, samengevat, aan dat uit de maatregel niet blijkt dat de minister een individuele beoordeling heeft verricht van eisers bijzondere kwetsbaarheid en opvangbehoeften. Dit moet wel op grond van artikel 5.11, derde lid, van het Vb 2000 en de artikelen 10, derde lid, 11, 12 en 13 van de herschikte Opvangrichtlijn. Eiser is homoseksueel en heeft een vrouwelijke genderidentiteit. Daarnaast behoort ook zijn afvalligheid tot de kern van zijn identiteit en asielrelaas. Hij heeft tatoeages op zijn lichaam die verwijzen naar zijn seksuele gerichtheid en afvalligheid en die voor iedereen zichtbaar zijn. Eiser heeft voor het opleggen van de maatregel ook verklaard dat hij niet met andere mannen in detentie wil verblijven omdat hij zich dan niet veilig voelt. De minister heeft daarover in de maatregel slechts overwogen dat er wel vaker mannen in detentie worden geplaatst met bepaalde voorkeuren. Dit en de algemene verwijzing naar protocollen in Nederlandse detentiecentra is onvoldoende voor de op grond van het Unierecht vereiste individuele beoordeling. Dit is inmiddels ook bevestigd omdat eiser na de inbewaringstelling is geïntimideerd wat ertoe heeft geleid dat hij op een bijzondere afdeling is geplaatst. Dit zijn nieuwe omstandigheden die hadden moeten leiden tot een herbeoordeling van de maatregel op grond van artikel 11, vijfde lid, van de herschikte Opvangrichtlijn. Dat is niet gebeurd waardoor het voortduren van de maatregel onvoldoende is gemotiveerd.
De door eiser genoemde artikelen uit de herschikte Opvangrichtlijn die zien op het rekening houden met bijzondere kwetsbaarheid en opvangbehoeften zijn door de wetgever neergelegd in artikel 5.9 en 5.11, derde lid, van het Vb 2000. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende rekening gehouden met de individuele omstandigheden van eiser zoals die door hem naar voren zijn gebracht. In het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel heeft eiser verklaard dat hij homoseksueel is en niet in detentie wil met mannen. In de maatregel heeft de minister hierover aangegeven dat er wel vaker mannen in detentie zijn geplaatst met bepaalde voorkeuren en dat in zijn algemeenheid detentiecentra in Nederland goed zijn ingericht en er afspraken/protocollen zijn voor bijzondere omstandigheden. De rechtbank begrijpt dat de woorden ‘bepaalde voorkeuren’ denigrerend kunnen klinken, maar voor het overige kan de rechtbank deze overwegingen van de minister volgen. Verder heeft de minister vermeld dat er zover mogelijk rekening worden gehouden met (de andere voorkeuren van) eiser, maar dat er geldende regels en werkafspraken zijn en niet altijd kan worden toegegeven aan de wensen van betrokkene omdat het om een detentie gaat. Volgens de minister is er in het detentiecentrum goede en veilige opvang. Hiermee heeft de minister mogen volstaan. Uit de artikelen van de herziene Opvangrichtlijn volgt ook niet dat bij omstandigheden zoals die door eiser naar voren zijn gebracht nooit vreemdelingenbewaring mag worden toegepast. Verder is van belang dat de minister ter zitting heeft toegelicht dat ook bij binnenkomst in het detentiecentrum altijd nog gekeken wordt op welke afdeling iemand het beste kan worden geplaatst. Ook is goed gehandeld nadat eiser tijdens de vreemdelingenbewaring was geïntimideerd door hem op een zogenaamde luwteafdeling te plaatsen. Dat dit een nieuwe omstandigheid is, betekent niet dat ten onrechte geen herbeoordeling heeft plaatsgevonden zoals eiser stelt. Deze omstandigheid wordt immers meegenomen bij de onderhavige beoordeling en nieuwe omstandigheden kunnen, zo nodig, worden beoordeeld in een vervolgberoep. De enkele stelling van eiser ter zitting dat hij op de luwteafdeling op dezelfde wijze bejegend wordt door anderen is onvoldoende om te oordelen dat daarvoor in het detentiecentrum onvoldoende oog voor is, niet op geacteerd wordt en daarom de maatregel opgeheven zou moeten worden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.