Vreemdelingenrecht
Bewaring 59 lid 1 a. Usp op lopende beroepen tegen terugkeerbesluit hoeft niet te worden afgewacht. Gronden…
Rechtbank Den Haag, 18 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:27565 · Rechtbank Den Haag · 18 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-27565
Zaakgegevens
Op 18 september 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 18 september 2026
- Datum publicatie
- 21 september 2026
- Zaaknummer
- NL26.51692
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:27565
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bewaring 59 lid 1 a. Usp op lopende beroepen tegen terugkeerbesluit hoeft niet te worden afgewacht. Gronden. Lichter middel/belangenafweging. ZOU. refoulement. Ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.51692
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. S. de Vries).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 3 september 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan, als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. In de maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Lopende beroepen en voorlopige voorzieningen tegen het terugkeerbesluit
5. Eiser voert aan dat eerst geoordeeld moet worden op de beroepen en voorlopige voorzieningen die hij heeft ingediend tegen zijn afgewezen asielaanvragen voordat uitspraak wordt gedaan op het onderhavige beroep tegen de opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring. In deze maatregel wordt namelijk verwezen naar beide terugkeerbesluiten. Eiser heeft in de beroepen tegen de afgewezen asielaanvragen aangevoerd dat de terugkeerbesluiten onrechtmatig zijn en die beroepen lopen nog. De maatregel van bewaring kan niet worden opgelegd op basis van onrechtmatige terugkeerbesluiten. In het kader van het arrest Adrar zal daarom eerst geoordeeld moeten worden op de beroepen en voorlopige voorzieningen die zijn ingediend tegen de terugkeerbesluiten. Het is onduidelijk wanneer die beroepen en voorlopige voorzieningen op zitting worden behandeld. Eiser wordt op deze manier een effectief rechtsmiddel onthouden.
De rechtbank stelt vast dat bij besluit van 20 november 2025 eisers asielaanvraag buiten behandeling is gesteld, omdat hij met onbekende bestemming (mob) was vertrokken. Dat besluit houdt ook een terugkeerbesluit van 0 dagen in. Eiser is op 11 augustus 2026 door de Duitse autoriteiten overgedragen aan Nederland, waarna hij op 16 augustus 2026 beroep en een voorlopige voorziening heeft ingediend tegen dit besluit. Ook heeft hij op 12 augustus 2026 een nieuwe asielaanvraag ingediend, die bij besluit van 29 augustus 2026 is afgewezen als kennelijk ongegrond. In dat besluit staat dat het terugkeerbesluit van 20 november 2025 nog steeds geldt. Eiser heeft tegen dit laatste besluit op 1 september 2026 beroep en een voorlopige voorziening ingediend. Beide beroepen en voorlopige voorzieningen moeten nog worden behandeld; een zittingsdatum is nog niet bekend.
Dat betekent echter niet dat de onderhavige maatregel van vreemdelingenbewaring niet gebaseerd mag worden op het terugkeerbesluit van 20 november 2025. Dit mag namelijk als dit besluit voldoet aan de specifieke vereisten die aan een terugkeerbesluit worden gesteld en aan de algemene vereisten die aan elk besluit worden gesteld. Daar is hier sprake van. Deze rechtbank heeft bij de beoordeling van een eerdere maatregel van vreemdelingenbewaring al geoordeeld dat dit besluit op juiste wijze bekend is gemaakt. De rechtbank heeft geen reden om daar nu anders over te oordelen. De bewaringsrechter mag, ook na het arrest Adrar, niet oordelen over de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit, ook niet door te beoordelen of bij de vaststelling van dat besluit voldoende rekening is gehouden met artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn. Wel moet, in het kader van de vraag of sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn, het risico op refoulement worden beoordeeld. Dit geldt ook als de bewaringsrechter eerder toekomt aan de beoordeling van het beginsel van non-refoulement dan de rechter in een procedure over een meeromvattend besluit. Deze beoordeling volgt hierna onder 8.3 en verder. Het enkele feit dat de beroepen en voorlopige voorzieningen tegen de afgewezen asielaanvragen nog niet zijn behandeld, betekent dus niet dat geen uitspraak kan worden gedaan op het beroep tegen de onderhavige bewaringsmaatregel of dat eiser daardoor een effectief rechtsmiddel wordt onthouden. Daarbij merkt de rechtbank op dat zij op grond van artikel 94 van de Vw 2000 gehouden is om binnen 15 dagen uitspraak te doen over de toepassing of tenuitvoerlegging van een vrijheidsontnemende maatregel. Daarom bestaat geen ruimte om de uitspraak aan te houden in afwachting van de behandeling van een procedure tegen de afwijzing van de asielaanvraag. De beroepsgrond slaagt niet.
Kunnen de door de minister vermelde gronden de maatregel dragen?
6. Eiser betwist alle gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Hij voert daartoe, voor zover van belang, bij grond a aan dat hij op 11 augustus 2026 vanuit Duitsland weer onder toezicht van de Nederlandse autoriteiten is gekomen. De meest recente binnenkomst van eiser in Nederland heeft dus niet buiten het zicht van de autoriteiten plaatsgevonden. Als de minister doelt op de oorspronkelijke reis naar Europa in 2025, dan wordt niet concreet vastgesteld waar en wanneer eiser het Schengengebied is binnengekomen en welke voorwaarde voor toegang op dat moment niet was vervuld. Dat eiser nu niet over een paspoort of visum beschikt en daarom destijds zonder geldig visum moet zijn ingereisd is daarvoor onvoldoende. Verder wijst de minister op het mob-vertrek op 28 oktober 2025, maar is niet beoordeeld waarom dit op 3 september 2026 nog noodzaakt tot vrijheidsontneming. Bovendien moet daarbij rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder eiser toen de opvang heeft verlaten en welke verplichtingen op dat moment op hem rustten. Over grond b voert eiser aan dat de feitelijke juistheid hiervan onvoldoende is gemotiveerd. Onduidelijk is namelijk welk terugkeerbesluit hieraan ten grondslag wordt gelegd, wanneer dit is genomen, wanneer en hoe dit bekend is gemaakt en welke vertrektermijn daarbij gold. In de maatregel staat namelijk onder grond a dat er op 20 mei 2026 een terugkeerbesluit en inreisverbod is uitgevaardigd en bij grond b wordt het afwijzende asielbesluit met terugkeerbesluit en inreisverbod van 20 november 2025 genoemd. Als wordt gedoeld op het besluit van 20 november 2025, dan moet de minister inzichtelijk maken hoe dit besluit aan eiser is bekendgemaakt en dat hij het besluit daadwerkelijk heeft ontvangen.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In de maatregel wordt bij grond a gewezen op de verklaring van eiser dat hij nog nooit in het bezit is geweest van een paspoort, zonder documenten van Marokko naar Europa is gereisd en dat eiser op 15 oktober 2025 asiel heeft aangevraagd in Nederland. In het gehoor van eiser op 12 augustus 2026 voorafgaand aan de eerdere maatregel van vreemdelingenbewaring heeft hij ook verklaard dat hij zonder documenten naar Nederland is gekomen. Daarmee is het feitelijk juist dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen en is dit voldoende gemotiveerd. Verder is er in de maatregel op gewezen dat eiser op 28 oktober 2025, tijdens de behandeling van zijn asielaanvraag, mob is gegaan, via een claim-in vanuit Duitsland op 11 augustus 2026 weer in beeld kwam en zich in de tussentijd nergens heeft gemeld. Deze omstandigheden blijken ook uit de stukken en uit het gehoor van eiser op 12 augustus 2026. Daarmee is ook feitelijk juist dat eiser zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt. Het eerder mob gaan mag de minister ook nu aan de maatregel ten grondslag leggen. De omstandigheden waaronder dit plaatsvond hoefde de minister niet te betrekken. Daarmee is deze grond feitelijk juist en mocht de minister deze aan eiser tegenwerpen. Ook grond b is feitelijk juist. Zoals de minister ter zitting ook heeft toegelicht, moet waar in de maatregel staat dat het gaat om een terugkeerbesluit en inreisverbod van 20 mei 2026, worden uitgegaan van een kennelijke verschrijving. Duidelijk is dat het gaat om het terugkeerbesluit dat besloten ligt in het afwijzende besluit van 20 november 2025. Wat eiser aanvoert over de bekendmaking slaagt reeds niet gelet op wat de rechtbank onder 5.2 heeft geoordeeld. De gronden a en b zijn voldoende om de maatregel te dragen. De rechtbank beoordeelt daarom de betwisting van de andere gronden niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel of de belangenafweging in het voordeel van eiser moeten laten uitvallen?
7. Eiser voert aan dat het niet toepassen van een lichter middel onvoldoende is gemotiveerd. De maatregel bevat op dit punt hoofdzakelijk een herhaling van de gronden. Er wordt niet concreet beoordeeld waarom een lichter middel niet effectief zou kunnen zijn. Bovendien wordt meerdere keren Algerije benoemd als land waar eiser naar terug moet keren in plaats van Marokko. Ook de beoordeling van de door eiser gemelde psychische klachten is nagenoeg geheel in algemene bewoordingen gesteld. Daarmee is niet de vraag beantwoord welke gevolgen de detentie voor eiser heeft en of zijn individuele situatie aanleiding geeft om met een lichter middel te volstaan. Ook heeft niet een op eiser toegespitste belangenafweging plaatsgevonden. Ter zitting heeft eiser nog aangegeven dat hij in de asielprocedure uitgebreid naar voren heeft gebracht dat hij veel last heeft van zijn gebit en hij de daarvoor benodigde behandeling nog steeds niet heeft gehad.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daartoe heeft de minister kunnen verwijzen naar de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, waaruit een onderduikrisico volgt. Ook heeft de minister terecht gewezen op de omstandigheid dat eiser eerder mob is gegaan en heeft verklaard dat hij niet terug wil naar Marokko. Anders dan eiser stelt, heeft de minister daarmee voldoende gemotiveerd waarom in het concrete geval van eiser niet met een lichter middel kan worden volstaan. Dat in de maatregel twee keer Algerije staat genoemd, betreft overduidelijk een kennelijke verschrijving. Duidelijk is dat eiser terug moet keren naar Marokko zoals in het terugkeerbesluit van 20 november 2025 is genoemd. Ook zijn in de maatregel de psychische klachten van eiser voldoende betrokken bij de beoordeling van de vraag of een lichter middel moet worden toegepast. Daartoe mocht de minister volstaan met een verwijzing naar de in het detentiecentrum beschikbare zorg en de overweging dat, als die zorg niet voldoende kan worden gegeven, eiser kan worden overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling. Verder blijkt uit het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel dat, nadat eiser had opgemerkt dat hij nog steeds last heeft van zijn schouder, de medische dienst hierover is ingelicht. Ook de in de maatregel vermelde belangenafweging is voldoende, te meer nu volgens vaste rechtspraak gedurende de eerste zes maanden van de vreemdelingenbewaring in beginsel meer gewicht toekomt aan de belangen van de minister bij voortduring van de vreemdelingenbewaring dan aan de belangen van eiser bij zijn invrijheidstelling. Wel kunnen bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat aan de belangen van de vreemdeling, ook al is de zes maandentermijn nog niet verstreken, een groter gewicht toekomt dan aan de belangen van de minister. Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn niet gesteld of gebleken. Dat er in de maatregel niets staat over de pijn aan eisers gebit doet aan het voorgaande niet af, omdat eiser dit wel tijdens zijn asielprocedure heeft genoemd, maar daarover in het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel niets heeft gemeld. Zoals de minister ter zitting heeft laten weten, kan eiser in het detentiecentrum hiervan melding maken. Er bestaat thans geen aanleiding om aan te nemen dat eiser dan niet de benodigde behandeling zal krijgen. De beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op uitzetting
8. Eiser voert aan dat onvoldoende is gemotiveerd dat zicht op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn bestaat. Er staat in de maatregel niets over dat al een laissez-passer is aangevraagd, welke concrete gegevens daarvoor beschikbaar zijn of welke concrete uitzettingshandeling op het moment van oplegging was voorzien. Dit terwijl wel wordt gesteld dat er onvoldoende verifieerbare gegevens over de identiteit of nationaliteit beschikbaar zijn. Hierbij speelt ook de foutieve verwijzing naar Algerije.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft al geoordeeld dat de verwijzing naar Algerije in de maatregel een kennelijke verschrijving betreft. Het gaat om terugkeer naar Marokko. In het algemeen ontbreekt zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Marokko niet. Er is geen reden om aan te nemen dat dit in eisers geval anders is. In dat verband was het voor de minister voldoende om ten tijde van het opleggen van de maatregel te wijzen op de omstandigheid dat eiser geen of onvoldoende verifieerbare gegevens heeft verstrekt ter onderbouwing van zijn identiteit en nationaliteit, niet gebleken is dat het onmogelijk is om die te verstrekken en op de omstandigheid dat ook niet is gebleken dat Marokko geen vervangende reisdocumenten zal verstrekken voor gedwongen terugkeer. Verder blijkt uit de stukken dat nog op de dag van opleggen van de maatregel met eiser een vertrekgesprek is gehouden waarbij hem is gezegd dat de regievoerder nog die dag een laissez-passer wil aanvragen.
Beoordelingskader van het risico op refoulement
Eiser betoogt, onder verwijzing naar het arrest Adrar, dat het risico op refoulement zich tegen zijn uitzetting verzet en dat op zijn beroepen en verzoeken tegen de afwijzingen van zijn asielaanvragen nog niet is beslist.
De rechtbank is als eerste van oordeel dat in de maatregel voldoende is ingegaan op dit risico door erop te wijzen dat eisers asielaanvraag op 29 augustus 2026 is afgewezen als kennelijk ongegrond terwijl eiser in het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel heeft gewezen op dezelfde problemen als die hij in de asielprocedure naar voren heeft gebracht. Ook daarna heeft hij geen gewijzigde omstandigheden of nieuwe elementen aangevoerd, zodat er voor de minister ook geen reden was om nog met een aanvullende motivering te komen.
Vervolgens overweegt de rechtbank dat het arrest Adrar niet zover strekt dat de bewaringsrechter moet oordelen over de rechtmatigheid van het besluit van 29 augustus 2026, zoals hiervoor onder 5.2. ook al overwogen. Die beoordeling is voorbehouden aan de rechter die op het beroep daartegen beslist en een bewaringsrechter zal in de meeste gevallen ook niet de benodigde tijd hebben om een volledige beoordeling van een dergelijk beroep te verrichten.
Wel moet de bewaringsrechter in het kader van de vraag of sprake is van zicht op uitzetting beoordelen of het beginsel van non-refoulement zich tegen uitzetting verzet. Als, zoals nu, sprake is van een gemotiveerde afwijzing van een asielverzoek waartegen een rechtsmiddel is ingediend, valt de beoordeling van dat refoulement risico in de kern samen met de vraag of de minister met de afwijzing van het asielverzoek terecht geen refoulement risico heeft aangenomen. Die beoordeling is niet dezelfde als de inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen die afwijzing. Dit volgt ook logischerwijs uit het kader waarin de verschillende beoordelingen moeten worden verricht. De bewaringsrechter moet immers beoordelen of zicht op uitzetting bestaat, wat niet hetzelfde is als zekerheid van uitzetting. Dit zicht op uitzetting bestaat zolang de afwijzing van het asielverzoek niet onmiskenbaar leidt tot een refoulement risico.
De rechtbank merkt hierbij nog op dat de Afdeling in de eerder genoemde uitspraak van 23 januari 2026 onder 13.1 heeft overwogen dat de bewaringsrechter op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb kan bepalen dat de minister de betrokken vreemdeling uitstel van verwijdering zal moeten verlenen en bepalen wanneer en onder welke voorwaarden of omstandigheden de belemmering voor de uitzetting ophoudt te bestaan. Naar het oordeel van de rechtbank staat deze mogelijkheid los van de hiervoor bedoelde beoordeling van het zicht op uitzetting. Als de bewaringsrechter tot de conclusie komt dat de afwijzing van het asielverzoek onmiskenbaar leidt tot een refoulement risico, ontbreekt immers al op dat moment het zicht op uitzetting en kan een vreemdeling niet langer in bewaring worden gehouden. Ook verder ziet de rechtbank in dit geval geen aanleiding om een maatregel te treffen op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb. Eiser heeft immers al een voorlopige voorziening verzocht waarop, indien dat nodig blijkt te zijn vanwege een voorgenomen uitzetting, kan worden beslist.
Toepassing van het kader op dit concrete beroep
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de motivering van het besluit van 29 augustus 2026, de daartegen ingediende gronden waarvan de rechtbank kennis heeft genomen en de behandeling van het bewaringsberoep, niet dat de afwijzing van het asielverzoek onmiskenbaar leidt tot een refoulement risico, zodat er in zoverre ook geen grond bestaat om te oordelen dat er geen sprake is van zicht op uitzetting. Verder heeft de minister ter zitting aangegeven in de gaten te houden dat de beroepen en voorlopige voorzieningen voldoende voortvarend worden behandeld.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.