Vreemdelingenrecht
Grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Beroep op prejudiciele vragen…
Rechtbank Den Haag, 25 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:28048 · Rechtbank Den Haag · 25 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-28048
Zaakgegevens
Op 25 september 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 25 september 2026
- Datum publicatie
- 24 september 2026
- Zaaknummer
- NL26.54094
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:28048
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Beroep op prejudiciele vragen, maar de rechtbank ziet geen aanleiding om het beroep aan te houden. Ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.54094
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en
de ambtenaar belast met grensbewaking
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Procesverloop
Bij besluit van 11 september 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De ambtenaar heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De ambtenaar is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Toetsingskader
1. Als de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000, dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000, het beroep gegrond.
Over de vrijheidsontnemende maatregel
2. Op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000, kan aan een vreemdeling die aan de grens een asielaanvraag indient, een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang (de grensprocedure).
Een maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000, wordt opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Dat staat in artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). In diezelfde bepaling staat dat de maatregel niet wordt opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
In beroep
3. De rechtbank stelt vast dat eiser aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed.
4. Eiser voert aan dat het grensbewakingsbelang niet zonder nadere motivering als grondslag voor vrijheidsontneming kan worden gebruikt en dat de ambtenaar moet motiveren waarom niet met een lichter middel wordt volstaan. Ook moet de ambtenaar de kansrijkheid van de asielaanvraag meewegen bij het besluit tot oplegging van de grensdetentie. In eisers geval is sprake van een kansrijke asielaanvraag, omdat hij behoort tot de Ahmadiyya moslimgemeenschap in Pakistan. Ahmadi’s worden aangemerkt als risicoprofiel. Eiser wijst ter onderbouwing van zijn betoog op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 15 september 2026.
Wat eiser aanvoert, slaagt niet. De rechtbank stelt daarbij allereerst vast dat zittingsplaats Amsterdam in de uitspraak van 15 september 2026 prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie stelt over de rechtsvragen die eiser opwerpt. Die rechtsvragen zijn beantwoord in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 september 2026. In die uitspraak oordeelt de Afdeling dat de ambtenaar in het grensbewakingsbelang voldoende noodzaak mag zien om een vrijheidsontnemende maatregel overeenkomstig artikel 10, tweede lid, van de Opvangrichtlijn op te leggen. Die noodzaak hoeft niet nader te worden gemotiveerd. Die uitleg volgt de rechtbank, zodat zij geen aanleiding ziet om de beantwoording van de gestelde prejudiciële vragen af te wachten voordat zij uitspraak kan doen op het beroep van eiser.
De rechtbank overweegt verder dat eerst onderzoek nodig is om de vraag te beantwoorden of een asielaanvraag al dan niet kansrijk is – en zich leent voor behandeling in de grensprocedure. De ambtenaar heft de grensdetentie op als hij concludeert dat de aanvraag niet verder kan worden behandeld in de asielgrensprocedure. In dit geval handelt de ambtenaar voldoende voortvarend door op 17 september 2026 een gehoor bij eiser af te nemen. De ambtenaar heeft op de zitting aangegeven dat op dit moment nog het voornemen bestaat om eisers asielaanvraag af te doen binnen de grensprocedure.
Uit de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2026 volgt verder dat de beoordeling van de ambtenaar of met een lichter middel had moeten worden volstaan, niet verder strekt dan de beoordeling of de grensdetentie onevenredig bezwarend is. De ambtenaar heeft deze beoordeling verricht en eiser heeft daartegen geen gronden ingediend. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de ambtenaar en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.G.C. Lelifeld, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.