Op 17 July 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.37603, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:19758. De plaats van zitting was Amsterdam.
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. A.N. Stap).
Samenvatting
1.1
Deze uitspraak gaat over de vrijheidsontnemende maatregel die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen aan dat de minister met een lichter middel had kunnen volstaan. Detentie is ultimum remedium.
1.2
Op grond van de door eiser aangedragen beroepsgrond en verder ambtshalve toetsend komt de rechtbank tot het oordeel dat de minister de maatregel tot grensdetentie onrechtmatig heeft opgelegd. De rechtbank constateert dat deze onrechtmatigheid verweven zit in de wijze waarop de minister de toetsing van aan de buitengrens ingediende asielverzoeken vorm geeft. Dit vertaalt zich op vier vlakken. Allereerst trekt de minister een grotere verantwoordelijkheid naar zich toe wat betreft het bewaken van de buitengrens dan het unierecht voorschrijft ten aanzien van mensen die aan de buitengrens een asielwens kenbaar maken. Ten tweede legt de minister een niet door het unierecht voorgeschreven automatische koppeling tussen het grensbewakingsbelang enerzijds en het opleggen van grensdetentie anderzijds. Ten derde, daarmee verbonden, sluit de minister ten onrechte categorisch de mogelijkheid van het opleggen van een lichter middel uit. Tot slot betrekt de minister ten onrechte standaard niet alle mogelijke relevante feiten en omstandigheden bij zijn oordeel of het evenredig is om grensdetentie op te leggen.
Procesverloop
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 6 juli 2026 heeft de minister aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
2.2
De rechtbank heeft het beroep op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Belkassem als tolk en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
De beroepsgrond van eiser
3. Eiser voert aan dat er een lichter middel opgelegd had moeten worden. Eiser is niet van plan om onder te duiken en kan zijn asielprocedure in vrijheid afwachten. Volgens eiser bevat artikel 6 van de Vw een kan-bepaling, dus had de vrijheidsontnemende maatregel niet opgelegd hoeven te worden. Detentie kan ook enkel als laatste redmiddel worden ingezet. Volgens eiser is de detentie in zijn geval een te zwaar middel.
Relevante regelgeving
4. De voor onderhavige zaak toepasselijke regelgeving luidt als volgt:
Artikel 43, eerste lid van de Procedureverordening (EU 2024/1348):
1. Na afloop van de overeenkomstig Verordening (EU) 2024/1356 uitgevoerde screening, indien van toepassing en op voorwaarde dat de verzoeker nog geen toegang heeft gekregen tot het grondgebied van de lidstaten, kan een lidstaat, in overeenstemming met de fundamentele beginselen en waarborgen van hoofdstuk II, een verzoek behandelen in een grensprocedure indien dat verzoek is ingediend door een onderdaan van een derde land of een staatloze die niet voldoet aan de voorwaarden voor toegang tot het grondgebied van een lidstaat als vastgesteld in artikel 6 van Verordening (EU) 2016/399. De grensprocedure kan worden toegepast:
a)
na de indiening van een verzoek aan een doorlaatpost aan de buitengrens of in een transitzone;
Artikel 45, eerste lid van de Procedureverordening:
1. In de in artikel 43, lid 1, bedoelde gevallen behandelt een lidstaat een verzoek in een grensprocedure indien een van de in artikel 42, lid 1, punt c), f) of j), bedoelde omstandigheden zich voordoet.
Artikel 42, lid 1 van de Procedureverordening:
1. Onverminderd artikel 21, lid 2, versnelt de beslissingsautoriteit, overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen van hoofdstuk II, de behandeling ten gronde van een verzoek om internationale bescherming, wanneer:
c)
de verzoeker, na ten volle de gelegenheid te zijn geboden een geldige reden aan te voeren, wordt geacht de autoriteiten opzettelijk te hebben misleid door valse informatie of documenten te verstrekken of relevante informatie of documenten achter te houden, met name omtrent zijn of haar identiteit of nationaliteit, die een negatieve invloed op de beslissing hadden kunnen hebben, of er duidelijke gronden zijn om te oordelen dat de verzoeker te slechter trouw een identiteitsbewijs of reisdocument heeft vernietigd of zich daarvan heeft ontdaan om de vaststelling van zijn of haar identiteit of nationaliteit te verhinderen;
(…)
f)
er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat de verzoeker een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of de openbare orde van de lidstaat, of dat de verzoeker onder dwang is uitgezet om ernstige redenen van nationale openbare veiligheid of openbare orde krachtens het nationale recht;
(…)
j)
de verzoeker de nationaliteit heeft van of, in het geval van een staatloze, zijn gewone verblijfplaats had in een derde land waarvoor, volgens de meest recente beschikbare jaargemiddelden van Eurostat voor de gehele Unie, de beslissingsautoriteit in 20 % of minder van de gevallen internationale bescherming heeft verleend, tenzij de beslissingsautoriteit oordeelt dat zich sinds de publicatie van de desbetreffende Eurostat-gegevens in het betrokken derde land een belangrijke wijziging heeft voorgedaan of dat de verzoeker behoort tot een categorie van personen voor wie het erkenningspercentage van 20 % of minder niet als representatief voor hun beschermingsbehoeften kan worden beschouwd, rekening houdend met onder meer de aanzienlijke verschillen tussen beslissingen in eerste aanleg en eindbeslissingen.
Artikel 46 van de Procedureverordening:
De toereikende capaciteit op het niveau van de Unie wordt geacht 30 000 te zijn.
Artikel 47, leden 2 en 3 Procedureverordening:
2. Indien een in lid 1, eerste alinea, bedoelde toereikende capaciteit van een lidstaat wordt bereikt, hoeft die lidstaat niet langer grensprocedures uit te voeren in de in artikel 43, lid 1, bedoelde gevallen, indien de in artikel 42, lid 1, punt j), bedoelde omstandigheden van toepassing zijn.
3. Wanneer een lidstaat het in lid 1, tweede alinea, bedoelde maximumaantal verzoeken heeft behandeld, is die lidstaat niet langer verplicht grensprocedures uit te voeren in de in artikel 43, lid 1, bedoelde gevallen, indien de in artikel 42, lid 1, punt c) of punt j), bedoelde omstandigheden van toepassing zijn. De lidstaat blijft niettemin verzoeken van onderdanen van derde landen op wie de in artikel 42, lid 1, punt f), en artikel 42, lid 3, punt b), bedoelde omstandigheden van toepassing zijn, in de grensprocedure behandelen.
Artikel 10 van de Opvangrichtlijn (EU 2024/1346):
1. De lidstaten houden een persoon niet in bewaring om de enkele reden dat die persoon een verzoeker is of op basis van de nationaliteit van die verzoeker. De bewaring mag enkel worden gebaseerd op een of meer van de in lid 4 uiteengezette bewaringsredenen. De bewaring mag niet bestraffend van aard zijn.
2. In de gevallen waarin zulks noodzakelijk blijkt en op grond van een individuele beoordeling van elk geval, mogen de lidstaten een verzoeker in bewaring houden wanneer andere, minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
3. Bij het in bewaring houden van een verzoeker houden de lidstaten rekening met zichtbare tekenen, verklaringen of gedragingen die erop wijzen dat de verzoeker bijzondere opvangbehoeften heeft. Indien de in artikel 25 bedoelde beoordeling nog niet is afgerond, wordt zij onverwijld afgerond en wordt rekening gehouden met de resultaten ervan wanneer wordt besloten of de bewaring moet worden voortgezet dan wel of de bewaringsomstandigheden moeten worden aangepast.
4. Een verzoeker mag alleen op een of meer van de volgende gronden in bewaring worden gehouden:
d)
om in het kader van een grensprocedure als bedoeld in artikel 43 van Verordening (EU) 2024/1348 een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker om het grondgebied te betreden;
Artikel 6 van de Vreemdelingenwet:
1. De vreemdeling aan wie toegang is geweigerd, onderscheidenlijk de vreemdeling op wie artikel 5 van de Screeningsverordening van toepassing is, kan worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen ruimte of plaats, met dien verstande dat indien de Screeningsverordening van toepassing is, dit overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 5, 6 en 8, eerste en derde lid, van de Screeningsverordening plaatsvindt.
2. Een ruimte of plaats, bedoeld in het eerste lid, kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.
3. De vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 te willen indienen, met inbegrip van de vreemdeling op wie artikel 5, tweede lid, van de Screeningsverordening van toepassing is, kan, zolang hij wordt aangemerkt als verzoeker in de zin van artikel 2, aanhef en onder 2, van de Opvangrichtlijn, eveneens worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, onderscheidenlijk in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 5, 6 en 8, eerste en derde lid, van de Screeningsverordening. Artikel 59b, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
4.1
Uit voorgaand juridisch kader volgt dat een lidstaat van de Europese Unie een aan de buitengrens van het Schengengrensgebied ingediend verzoek om internationale bescherming in de grensprocedure kan behandelen indien zich een van de situaties als bedoeld in artikel 43, eerste lid van de Procedureverordening voordoet. Een lidstaat kan daarbij besluiten om de verzoeker tevens in grensdetentie te plaatsen.
4.2
Een lidstaat kan voorts enkel overgaan tot grensdetentie wanneer de detentie noodzakelijk is en een ander, minder dwingend middel (hierna: lichter middel) niet effectief kan worden toegepast. Detentie kan ook enkel worden opgelegd na een beoordeling van het individuele geval. Detentie is immers een uiterst redmiddel en dient te voldoen aan het vereiste van evenredigheid, zowel wat betreft de wijze als het doel van de detentie (Voetnoot 1).
Overweging 33 van de preambule bij de Opvangrichtlijn verwoordt deze uitgangspunten als volgt:
“Teneinde de fysieke en psychische integriteit van verzoekers beter te waarborgen, moet hun bewaring een maatregel zijn die pas in laatste instantie wordt genomen, en mag het enkel mogelijk zijn verzoekers in bewaring te nemen nadat alle niet-vrijheidsberovende maatregelen als alternatief voor bewaring naar behoren zijn onderzocht. (…) In elk besluit tot oplegging van bewaring moet worden vermeld waarom minder dwingende alternatieve maatregelen niet doeltreffend konden worden toegepast. Bij elke alternatieve maatregel voor bewaring moeten de fundamentele mensenrechten van verzoekers worden geëerbiedigd.”
De wijze waarop de minister omgaat met asielverzoeken aan de buitengrens
5.1
In de Werkinstructie Asielgrensprocedure (WI 2026/23) staat beschreven hoe de minister omgaat met personen die aan de buitengrens een asielverzoek indienen. De minister doet dit in ieder geval als er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 45, eerste lid van de Procedureverordening. Voor overige vreemdelingen is de asielgrensprocedure niet verplicht. De minister hanteert echter het uitgangspunt dat iedere vreemdeling vanaf de buitengrens die niet voldoet aan de voorwaarden van toelating, in de grensprocedure wordt opgenomen.
5.2
Op voormeld uitgangspunt hanteert de minister een aantal uitzonderingen:
Aanvragen van alleenstaande minderjarige vreemdelingen worden niet behandeld in de grensprocedure, tenzij er indicaties zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid.
Aanvragen van gezinnen met minderjarige kinderen worden in beginsel niet in de grensprocedure behandeld tenzij:
uit de screening op de grens contra-indicaties blijken zoals een ongeloofwaardige gezinsband;
er aanwijzingen zijn dat de minderjarige slachtoffer is van, of betrokken is bij, mensenhandel en/of mensensmokkel;
de hoofdverzorger een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid en de vrijheidsontnemende maatregel de minderjarige beschermt tegen verdere betrokkenheid en/of uitbuiting;
Indien grensdetentie voor een vreemdeling wegens bijzondere individuele omstandigheden onevenredig bezwarend is, wordt de vrijheidsontnemende maatregel niet opgelegd of voortgezet (artikel 5.1a, derde lid, Vb);
Indien is gebleken dat een asielzoeker bijzondere procedurele waarborgen behoeft ten gevolge van foltering, verkrachting of andere ernstige vormen van psychisch, fysiek of seksueel geweld, welke niet middels passende steun in de asielgrensprocedure c.q. grensdetentie kunnen worden geboden; • Indien blijkt dat het gaat om een houder van een verblijfsvergunning of een visum voor verblijf van lange duur afgegeven door een Schengenlidstaat.
5.3
In de WI 2026/23 staat verder dat in Nederland de asielgrensprocedure altijd is gekoppeld aan een vrijheidsontnemende maatregel, welke de KMar via model M19 oplegt. Het grensbewakingsbelang kan in beginsel immers enkel worden veiliggesteld met het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel. Minder dwingende maatregelen (zoals een meldplicht) hebben tot gevolg dat feitelijk toegang tot Nederland wordt verkregen.
5.4
Ter zitting heeft de minister verduidelijkt dat het beleid conform deze WI inderdaad is ‘grensdetentie, tenzij…’. De minister heeft er ook voor gekozen om niet in regelgeving of anderszins andere, minder dwingende maatregelen te creëren ten opzichte van de maatregel van grensdetentie.
Artikel 10, lid 2 Opvangrichtlijn: vereisten voor een rechtmatige grensdetentie
Noodzaak tot het opleggen van grensdetentie
6. De rechtbank begrijpt de minister aldus dat de noodzaak van het toepassen van de grensprocedure, en in het verlengde daarvan de grensdetentie, is gelegen in het grensbewakingsbelang. Ter zitting heeft de minister aangegeven dat dit ook het geval is geweest bij het opleggen van de grensdetentie van eiser.
7. De rechtbank stelt allereerst vast dat de uniewetgever de door de minister aan zichzelf opgelegde plicht om de buitengrens te bewaken niet in die mate voorschrijft. Immers ingevolge artikel 45, eerste lid, van de Procedureverordening bestaat enkel in de daarin genoemde situaties de verplichting om de grensprocedure toe te passen. Waarbij als door een lidstaat aan het vastgestelde ‘toereikende capaciteits-criterium’ (Voetnoot 2) is voldaan, die verplichting voor die lidstaat enkel nog bestaat ten aanzien van verzoekers die een gevaar vormen voor de nationale veiligheid of openbare orde. In alle andere gevallen is een lidstaat dus niet verplicht om de asielgrensprocedure toe te passen. En dus ook niet verplicht om de beslissing tot toegang tot het Nederlandse grondgebied uit te stellen en tot grensdetentie over te gaan.
8.1
De minister heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat eiser onder een van de in artikel 45, eerste lid, van de Procedureverordening genoemde gevallen valt en de grensprocedure, en daaraan gekoppeld de grensdetentie, dus verplicht was. Eiser heeft immers gereisd op een Deens paspoort welke eiser heeft verscheurd. Op die wijze kan de minister niet achterhalen of eiser misschien een andere nationaliteit heeft of bekend staat onder andere personalia. Eiser heeft de minister aldus misleid omtrent zijn identiteit en nationaliteit, en valt daarmee onder de situatie als bedoeld in artikel 42, eerste lid onder c) van de Procedureverordening, aldus de minister.
8.2
Daargelaten dat deze onderbouwing niet in de maatregel zelf staat, is de rechtbank van oordeel dat deze onderbouwing te mager is om te kunnen stellen dat eiser de minister heeft misleid omtrent zijn identiteit en nationaliteit. Daarvoor is redengevend dat eiser een echt bevonden Palestijns paspoort bij zich had en hij tijdens zijn gehoor bij de KMar heeft aangegeven dat hij op een door een mensensmokkelaar geregeld Deens paspoort van Turkije naar Nederland heeft gereisd en hij dit paspoort nadien heeft verscheurd zoals de mensensmokkelaar hem had opgedragen.
8.3
Met andere woorden, er is geen twijfel over de Palestijnse identiteit en nationaliteit van eiser. Eiser heeft uit eigen beweging verteld met een door een mensensmokkelaar geregeld paspoort te hebben gereisd. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat asielzoekers van mensensmokkelaars de opdracht krijgen zulke (ver)vals(t)e reisdocumenten na aankomst te vernietigen. De KMar geeft verder in het proces-verbaal van screening ook aan dat eiser juist heeft voldaan aan zijn plicht tot samenwerking. Niet kan dan ook gezegd worden dat eiser door het verscheuren van het Deense paspoort de minister heeft willen misleiden over zijn identiteit en/of nationaliteit. Eiser is bij de door de Screeningsverordening voorgeschreven identiteitschecks in de diverse digitale systemen overigens ook niet naar voren gekomen. Indien het Deense paspoort tot eiser te herleiden zou zijn geweest, was eiser naar alle waarschijnlijkheid ergens in de geraadpleegde systemen naar voren gekomen.
9.1
Omdat de situatie als beschreven onder artikel 42, eerste lid sub f) en sub j) van de Procedureverordening volgens de minister niet op eiser van toepassing zijn, volgt uit het voorgaande dat er ten aanzien van eiser geen unierechtelijke verplichting bestond om de asielgrensprocedure toe te passen. Er bestond daardoor ook geen verplichting om de buitengrens te bewaken.
9.2
Indien de minister onverplicht overgaat tot toepassing van de grensprocedure – artikel 43 van de Procedureverordening is een kan-bepaling – dan creëert de minister feitelijk zelf de situatie waarin hij zegt dat het noodzakelijk is om ook over te gaan tot grensdetentie. Terwijl de minister ook had kunnen afzien van het toepassen van de grensprocedure. Zo’n zelf gecreëerde noodzaak is naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf dan ook onvoldoende om als rechtvaardiging voor detentie te worden gezien. Detentie is immers ultimum remedium en het onverplicht creëren van een omstandigheid waardoor iemand in detentie zou moeten, verhoudt zich daar naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende mee.
9.3
Het voorgaande betekent voorts niet dat de minister in een situatie waarin hij onverplicht over gaat tot de grensprocedure, uiteindelijk niet ook zou kunnen overgaan tot het toepassen van grensdetentie. De noodzaak daartoe dient dan alleen (ook) op een andere wijze - bijvoorbeeld omdat er een risico is op onderduiken – te zijn onderbouwd. Deze onderbouwing is door de minister in de onderhavige zaak evenwel niet gegeven.
Onderzoek naar de mogelijkheid van toepassen van een lichter middel
10. Uit de WI 2026/23 en nadere toelichting van de minister ter zitting volgt dat de minister er bewust voor heeft gekozen om standaard geen lichter middel toe te passen ten aanzien van grensdetentie.
11. De rechtbank stelt allereerst vast dat het unierecht geen automatische koppeling legt tussen het toepassen van de grensprocedure en het plaatsen in grensdetentie. De Procedureverordening rept hier in ieder geval niet over en de Opvangrichtlijn geeft in artikel 10, tweede lid juist duidelijk aan dat detentie van een asielzoeker enkel kan worden opgelegd indien andere, minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast (Voetnoot 3). De Opvangrichtlijn maakt daarbij geen voorbehoud of onderscheid als het gaat om detentie tijdens de grensprocedure.
12. De rechtbank kan dan ook niet inzien waarom de minister in regelgeving of praktijk (nog) geen mogelijkheden heeft gecreëerd om te kijken of hij bij een asielzoeker die zich aan de buitengrens presenteert niet kan volstaan met een lichter middel. Ook indien daarmee het grensbewakingsbelang wordt prijsgegeven.
Voorstelbaar is immers dat met een verzoeker aan de buitengrens goede afspraken te maken zijn over een meldplicht. Indien het risico op onderduiken daarmee voldoende ingedamd kan worden geacht, dan komt aan het grensbewakingsbelang ook minder gewicht toe. En zo zijn er vele andere varianten denkbaar waarin met de asielzoeker afspraken kunnen worden gemaakt waardoor aan het grensbewakingsbelang minder gewicht toe komt. Het grensbewakingsbelang kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet zo groot zijn dat – zoals de minister nu als beleid hanteert - een lichter middel nimmer effectief zou kunnen worden toegepast.
13. De rechtbank stelt vast dat tijdens het screeningsgehoor aan eiser geen enkele vraag is gesteld of in zijn geval met een lichter middel kon worden volstaan. Er zijn aan eiser wel vragen gesteld over zijn persoonlijke omstandigheden maar die betroffen niet het eventueel aanwenden van een lichter middel. De rechtbank stelt voorts ook vast dat de minister in zijn geheel niet heeft beoordeeld en gemotiveerd waarom niet met een lichter middel kon worden volstaan. In de maatregel tot grensdetentie (het Model M19B) staat weliswaar onder het kopje ‘toepassen lichter middel’ dat vanwege de medische voorzieningen in het Justitieel Detentiecentrum Schiphol besloten is een lichter middel achterwege te laten, maar dit is feitelijk een beoordeling van de evenredigheid en niet een beoordeling over het wel of niet toepassen van een lichter middel. En dat laatste had de minister op grond van de Opvangrichtlijn wel behoren te doen.
Het in een individuele beoordeling betrekken van alle relevante feiten en omstandigheden
14. Uit de WI 2026/23 volgt dat een asielaanvraag van een volwassene (zonder kinderen) niet in de grensprocedure wordt behandeld indien grensdetentie wegens bijzondere individuele omstandigheden onevenredig bezwarend is dan wel indien geen passende steun in de asielgrensprocedure c.q. grensdetentie kan worden geboden aan een asielzoeker die bijzondere procedurele waarborgen behoeft ten gevolge van foltering, verkrachting, of andere ernstige vormen van psychisch, fysiek of seksueel geweld.
15. De KMar doet onderzoek naar deze feiten en omstandigheden. In het formulier ‘Gehoor met betrekking tot het uitstellen van de toegangsweigering en het opleggen van een beschikking tot aanwijzing van een ruimte of plaats ingevolge artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (VW)’ wordt duidelijk hoe dit onderzoek wordt vorm gegeven.
“(…)
M: Het voornemen bestaat om aan u de toegang tot Nederland in verband met uw aanvraag
uit te stellen. Uw asielaanvraag wordt in dit geval behandeld in de asielgrensprocedure.
Gedurende de behandeling van uw asielaanvraag in de asielgrensprocedure zult u verblijven in
een gesloten detentiecentrum.
[Opmerking rechtbank: vervolgens worden standaard de volgende vragen gesteld]:
Kunt u in eigen bewoording omschrijven wat daarvan voor u de gevolgen zijn?
Bent u in het bezit van een geldige verblijfsvergunning of een visum voor lang verblijf van een
Schengenlidstaat en zo ja, kunt u mij deze tonen?
U wordt nu in de gelegenheid gesteld om bijzonder of persoonlijke omstandigheden naar voren te brengen die ertoe kunnen leiden dat wordt afgezien van het behandelen van uw asielaanvraag in een detentiecentrum.
Lijdt u aan een ernstige ziekte of lichamelijk aandoening waarvoor u direct medische hulp nodig heeft en zo ja, welke en kunt u dit aannemelijk maken?
Heeft u last van ander ziektes, lichamelijk aandoeningen of beperkingen waar u last van heeft en zo ja, welke zijn dat en kunt u dit aannemelijk maken?
Gebruikt u op het moment medicijnen en zo ja, welke en waartegen?
(indiende vreemdeling medicijnen gebruikt) Heeft u op dit momentvoldoende medicijnen in
uw bezit?
- ( (indien het een vrouwelijke vreemdeling betreft) Bent u zwanger en zo ja, hoelang en kunt u
dit aannemelijk maken?
- ( (indien ongedocumenteerd en zichtbaar ouder dan 65 jaar) wat is uw gestelde leeftijd en kunt
u dit op andere wijze aannemelijk maken?
- Heeft u in Nederland of in de Europese Unie familieleden die hier rechtmatig verblijven dan
wel op dit moment een asielaanvraag hebben lopen en zo ja, kunt u dit aannemelijk maken?
- ( (indien ongedocumenteerd) U stelt een nationaliteit te bezitten waarvoor er een
besluit/vertrekmoratorium van toepassing is. Dit betekent dat er gedurende dit besluit geen
beslissing op uw asielaanvraag wordt genomen dan wel dat u na afwijzing daarvan niet gedwongen
kunt terugkeren. Kunt u op enige wijze aannemelijk maken dat u onder de werking van een
besluit/vertrekmoratorium valt?
- ( (bij twijfel over de minderjarigheid van een ongedocumenteerde minderjarig alleenreizende
vreemdeling) Er wordt getwijfeld of u daadwerkelijk jonger bent dan 18 jaar. Wij kunnen u om die
reden in de asielgrensprocedure plaatsten. Dat betekent dat uw asielaanvraag wordt behandeld
in een gesloten detentiecentrum en u tijdens de procedure wordt onderworpen aan een
leeftijdsschouw. Daar wordt vanaf gezien indien u alsnog aannemelijk kunt maken dat u jonger
bent dan 18 jaar. Kunt u aannemelijk maken dat u jonger bent dan 18 jaar?
- Zijn er andere spoedeisende of omstandigheden die aanleiding geven om aan u alsnog toegang
te verlenen tot Nederland en u de gelegenheid te stellen uw asielaanvraag in vrijheid te doorlopen?
16. De rechtbank merkt allereerst op dat de wijze waarop het formulier is opgesteld voorsorteert op het toepassen van grensdetentie. Dit herbergt het niet denkbeeldige menselijke risico in zich dat de gebruiker ervan, in casu de medewerker van de KMar, in zijn vragen eerder op zoek zal gaan naar een bevestiging dan naar, zoals het unierecht voorschrijft, te kijken of de behandeling van de asielaanvraag niet in grensdetentie hoeft te geschieden. Detentie dient immers in iedere fase ultimum remedium te zijn.
17.1
Verder valt het de rechtbank op dat de KMar niet ook op zoek is gegaan naar omstandigheden die eveneens van belang kunnen zijn voor de vraag of het evenredig is om grensdetentie toe te passen. De rechtbank denkt daarbij aan de omstandigheid of de vreemdeling tot op dat moment zijn medewerking heeft verleend aan de procedure en of hij van plan is die te blijven verlenen, met andere woorden of hij/zij te goeder trouw is. Daar was in de onderhavige situatie ook aanleiding toe nu eiser zijn identiteit en nationaliteit met een echt bevonden paspoort heeft onderbouwd, bij de screening al heeft verteld dat hij zijn (ver)vals(t)e Deense paspoort had verscheurd en de KMar constateerde dat eiser zijn medewerking had verleend aan de verrichte screening.
17.2.1
Ook denkt de rechtbank daarbij aan het gegeven dat eiser heeft aangegeven uit Gaza te komen. De minister heeft een Besluit- en vertrekmoratorium ten aanzien van Gaza ingesteld en ingevolge paragraaf 2.3.1 van de WI 2026/23 wordt een verzoeker die afkomstig is uit een land waar een Besluit- en vertrekmoratorium van toepassing is, in beginsel niet langer in grensdetentie gehouden.
17.2.2
De rechtbank heeft er begrip voor dat de minister wellicht niet op dag 1 al kan onderzoeken of eiser daadwerkelijk onder het Besluit- en vertrekmoratorium valt (Voetnoot 4). De minister heeft evenwel meer screeningsdagen tot zijn beschikking om de relevante feiten en omstandigheden boven tafel te halen. Niet valt in te zien waarom in een situatie als de onderhavige die toets niet op dag 2 of 3 kon worden verricht. De rechtbank brengt hierbij tevens in herinnering dat (grens)detentie van een asielzoeker altijd zo kort mogelijk dient plaats te vinden.
18. Uit het voorgaande volgt dat de minister ten onrechte niet actief op zoek is gegaan naar alle relevante feiten en omstandigheden met betrekking tot de vraag of grensdetentie in het geval van eiser evenredig is te achten (Voetnoot 5).
Conclusie en gevolgen
19. De rechtbank komt tot de conclusie dat de aan eiser opgelegde grensdetentie onrechtmatig is omdat niet is gebleken van de noodzaak daartoe, niet is gekeken of volstaan kon worden met een lichter middel en onvoldoende zorgvuldig is gekeken naar de vraag of de grensdetentie evenredig is.
20. De rechtbank hecht er aan op te merken dat het voorgaande niet betekent dat de minister op deze wijze niet meer over zou kunnen gaan tot het toepassen van grensdetentie. Indien na een gedegen onderzoek is gebleken dat een lichter middel niet effectief is toe te passen, de bewaring noodzakelijk is en op grond van een individuele afweging van alle relevante feiten en omstandigheden evenredig is achten, dan kan de minister overgaan tot het toepassen van grensdetentie. En is unierechtelijk, conform het beginsel van ultimum remedium, verzekerd dat de detentie in dat specifieke geval niet anders kon en ook niet anders had gehoeven.
21. Het beroep is gegrond en de maatregel is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van heden.
22. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 15 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) bewaring van 12 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.440,-.
23. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van heden;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.440,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van
M.A. van Garder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Voetnoot
Voetnoot 1
Zie overweging 26 preambule Opvangrichtlijn.
Voetnoot 2
Als bedoeld in artikel 46 en 47 Procedureverordening.
Voetnoot 3
Zie ook voornoemde overweging 33 van de preambule Opvangrichtlijn: “(…) In elk [onderstreping rechtbank] besluit tot oplegging van bewaring moet worden vermeld waarom minder dwingende alternatieve maatregelen niet doeltreffend konden worden toegepast.
Voetnoot 4
In deze zaak heeft de KMar de screening op de eerste dag voltooid. Eiser heeft op dezelfde dag via het M35-H formulier ook zijn asielaanvraag ingediend.
Voetnoot 5
Dit geldt ook ten aanzien van de vraag of een lichter middel kon worden toegepast (zie r.o. 8 t/m 11).