Vreemdelingenrecht
gronden te laat; niet verschoonbaar; arrest Bahaddar.
Rechtbank Den Haag, 30 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:28793 · Rechtbank Den Haag · 30 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-28793
Zaakgegevens
Op 30 september 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 30 september 2026
- Datum publicatie
- 29 september 2026
- Zaaknummer
- NL26.44167
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:28793
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
gronden te laat; niet verschoonbaar; arrest Bahaddar.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.44167
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. B. de Haan),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. D. Lut).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. De minister heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is. Eiser heeft zijn beroepsgronden te laat ingediend, heeft geen verschoonbare reden voor deze termijnoverschrijding en er is geen reden om aan de niet-ontvankelijkverklaring voorbij te gaan. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 1 juli 2026 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 31 juli 2026 deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 10 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Zijn de beroepsgronden tijdig aangevoerd?
3. Iemand die beroep instelt, moet in het beroepschrift de gronden van het beroep vermelden. Dat betekent dat duidelijk moet worden gemaakt op welke specifieke punten hij of zij het niet eens is met het bestreden besluit. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep, nadat een herstelmogelijkheid is geboden, niet-ontvankelijk verklaren.
De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn beroepschrift van 5 augustus 2026 geen beroepsgronden heeft vermeld. De rechtbank heeft eiser daarom diezelfde dag bij brief verzocht dit verzuim binnen één week te herstellen, dus uiterlijk op 12 augustus 2026. Eiser heeft zijn beroepsgronden vervolgens op 14 augustus 2026 ingediend. De rechtbank is van oordeel dat daarmee de beroepsgronden te laat zijn ingediend.
Is de termijnoverschrijding verschoonbaar?
4. Eiser erkent dat hij zijn beroepsgronden te laat heeft ingediend, maar voert aan dat deze termijnoverschrijding verschoonbaar is. Volgens eiser had zijn gemachtigde de beroepsgronden al vóór diens vakantie opgesteld, maar zijn deze door de drukte in die periode niet op tijd ingediend. Daarbij wijst eiser erop dat op het op 14 augustus 2026 ingediende document als datum 7 augustus 2026 staat vermeld. Eiser doet daarom een beroep op artikel 6:11 van de Awb. Daarnaast voert eiser aan dat door de latere indiening geen schade is ontstaan voor de minister of de rechtbank.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding. Dat de gemachtigde van eiser de beroepsgronden wegens drukte rondom zijn vakantieperiode niet op tijd heeft ingediend, komt voor eisers rekening en risico. Dat op het document van de beroepsgronden de datum 7 augustus 2026 staat vermeld, maakt dat niet anders. Beslissend is de datum van indiending en niet de datum waarop het document zou zijn opgesteld. Dat door te late indiening van de beroepsgronden geen schade is ontstaan, is op zichzelf ook onvoldoende om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
Is er reden om aan niet-ontvankelijkheidverklaring voorbij te gaan?
5. Volgens vaste rechtspraak moet de bestuursrechter bij te laat ingediende beroepsgronden steeds beoordelen of er aanleiding bestaat aan de niet-ontvankelijkverklaring van dat beroep om die reden voorbij te gaan, omdat er bijzondere feiten en omstandigheden zijn als bedoeld in het arrest Bahaddar. Van dergelijke omstandigheden is sprake als wat een vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat de minister bij uitzetting van die vreemdeling het refoulementverbod schendt, als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Eiser voert aan dat overdracht aan Kroatië mogelijk tot een schending van dat artikel zal leiden.
De rechtbank stelt voorop dat uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat de minister ten aanzien van Kroatië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat de minister mag uitgaan van het vermoeden dat Kroatië zijn internationale verplichtingen ten aanzien van eiser zal nakomen en dat hij bij overdracht geen risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft geen omstandigheden aangevoerd die het tegendeel aantonen. De enkele stelling dat zijn overdracht aan Kroatië mogelijk tot een schending van artikel 3 van het EVRM leidt, is daarvoor onvoldoende. Van bijzondere feiten en omstandigheden zoals bedoeld in het arrest Bahaddar is niet gebleken.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.