Vreemdelingenrecht
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan…
Rechtbank Den Haag, 5 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:29713 · Rechtbank Den Haag · 5 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-29713
Zaakgegevens
Op 5 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 5 oktober 2026
- Datum publicatie
- 8 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL25.54248
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:29713
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Georgië problemen zal ondervinden.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54248
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. D. de Vries),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. L.D. Drenthe).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Georgië problemen (met de familie [naam 1]) zal ondervinden. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 29 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2026 op zitting behandeld. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich voorafgaand aan de zitting afgemeld.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1985 en is afkomstig uit Georgië. Eiser heeft verklaard Georgië te hebben verlaten vanwege een vrachtwagenongeluk in 2012. Dat ongeluk ontstond toen zijn medereiziger en bestuurder van de vrachtwagen, [naam 1], drugs wilde gebruiken en eiser van hem de vrachtauto moest besturen zonder dat hij daarvoor een rijbewijs had. De medereiziger is nadat hij drugs had gebruikt, onwel geworden en overleden. Eiser raakte hierdoor in paniek, maar bleef doorrijden in de hoop iemand tegen te komen die hen kon helpen. Toen is eiser de controle over het stuur verloren en de diepte in gevallen. De familie van [naam 1] heeft na het ongeluk zijn dood toegeschreven aan de acties van eiser. Eiser is op de plek van het ongeluk door de broer van [naam 1], [naam 2], die als kopstuk van de criminele onderwereld wordt gezien, met de dood bedreigd en uitgescholden. Volgens eiser wil de familie van [naam 1] bloedwraak. Eiser heeft Georgië twee weken na het ongeluk verlaten. Na het vertrek van eiser uit Georgië, hebben familieleden van [naam 1] de vader van eiser opgezocht en hem van de tweede verdieping naar beneden gegooid. Daarbij heeft hij hersentrauma opgelopen. Daaropvolgend zijn ook de broer van eiser en zijn kinderen bedreigd met de dood. De ouders en broer van eiser zijn toen naar Europa gevlucht. Ook hebben de familieleden van [naam 1] de vrouw van eiser gebeld en beledigd. De bedreigingen aan eiser zijn opnieuw geuit toen hij in 2023 voor de tweede keer terugging naar Georgië. De familie [naam 1] is er door middel van een certificaat van eisers zoon achter gekomen dat eiser zich in Georgië bevond. Sindsdien ontvangt eiser weer bedreigingen en is eiser gevlucht. Volgens eiser voeren de criminelen in Georgië de bovenhand en zijn zij machtiger geworden. Eiser vreest bij terugkeer naar Georgië te worden vermoord door de familie [naam 1].
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
-
de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
-
de problemen van eiser met de familie [naam 1].
De minister heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. De geloofwaardigheid van de problemen van eiser met de familie [naam 1] heeft de minister, overeenkomstig paragraaf C1/4.1, aanhef en onder 5 en 6 van de Vc, in het midden gelaten, omdat deze problemen op voorhand niet zwaarwegend genoeg zijn om een vrees bij terugkeer aan te nemen. Volgens de minister is door eiser immers niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Georgië problemen met de familie [naam 1] zal ondervinden noch dat hij bij voorkomende problemen geen bescherming van de autoriteiten zou kunnen inroepen. De minister heeft de asielaanvraag daarom afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft de juistheid van het standpunt van de minister gemotiveerd betwist. Op hetgeen in dat verband is aangevoerd zal hieronder – voor zover relevant – worden ingegaan.
Reëel risico op ernstige schade
5. De minister stelt zich - kort samengevat - op het standpunt dat de verklaringen van eiser over de problemen met de familie [naam 1] op voorhand onvoldoende zwaarwegend zijn om een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij na zijn vertrek uit Georgië in 2012 geen directe bedreigingen meer heeft ontvangen en ook geen contact meer heeft gehad met de broer van [naam 1], [naam 2]. Bovendien is eiser is na het vrachtwagenongeluk tweemaal teruggekeerd naar Georgië en heeft hij daarbij geen persoonlijke problemen ervaren. Gelet op het grote tijdsverloop waarbij zich geen daadwerkelijke problemen hebben voorgedaan en eiser regelmatig en langdurig is teruggekeerd naar Georgië, heeft eiser volgens de minister zijn vrees voor de bedreigingen niet aannemelijk gemaakt.
Eiser stelt problemen te hebben met de gehele familie [naam 1] en niet alleen met [naam 2]. Volgens eiser zijn de bedreigingen door de familie [naam 1] wel degelijk zwaarwegend. Daarbij wijst eiser op de mishandeling van zijn vader en de (doods)bedreigingen aan het adres van zijn broer en vrouw. Eiser is zelf na het vrachtwagenongeluk ook bedreigd en mishandeld door [naam 2]. Ondanks dat eiser zijn naam heeft gewijzigd, is de familie [naam 1] hem toch weer op het spoor gekomen en ondervindt eiser weer problemen.
Uit het beleid van de minister volgt dat de minister in het kader van de toets van artikel 29, eerste en tweede lid, van de Vw, de geloofwaardigheid van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de asielmotieven beoordeelt, tenzij hij reden ziet om de feiten en omstandigheden enkel te beoordelen op zwaarwegendheid. In dat geval laat de minister kenbaar de geloofwaardigheid van het asielrelaas in het midden, met uitzondering van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de identiteit, nationaliteit en herkomst van de vreemdeling. De minister beoordeelt vervolgens de zwaarwegendheid van de geloofwaardig gevonden feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan de asielmotieven of de zwaarwegendheid van de feiten en omstandigheden waarvan de geloofwaardigheid in het midden is gelaten.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat deze werkwijze van de minister niet onzorgvuldig is, mits alle verklaringen van de vreemdeling als uitgangspunt worden genomen bij de beoordeling van de zwaarwegendheid. Voor de bestuursrechter betekent dit dat bij de toetsing moet worden uitgegaan van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling gestelde feiten en omstandigheden. Dit is noodzakelijk om de besluitvorming daadwerkelijk en effectief op rechtmatigheid te kunnen toetsen.
De rechtbank constateert allereerst dat eiser zijn standpunt in beroep heeft onderbouwd door grotendeels te herhalen wat hij hierover al in de zienswijze naar voren heeft gebracht zonder in te gaan op de reactie van de minister daarop in het bestreden besluit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich in het bestreden besluit op pagina 2 voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de problemen met de familie [naam 1] niet zwaarwegend genoeg zijn om een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Georgië aan te nemen. Hierbij heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank van belang mogen achten dat eiser de afgelopen 13 jaar geen directe bedreigingen heeft ontvangen van de familie [naam 1]. Bovendien verblijft de broer van [naam 1], Georgie [naam 1], inmiddels in Italië en is eiser al meerdere keren zonder problemen teruggegaan naar Georgië. Gelet op het feit dat eiser na het ongeluk is teruggegaan naar Georgië en daar beide keren voor een langere duur heeft verbleven, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht geconstateerd dat eiser zelf de dreiging in Georgië niet zodanig groot achtte dat het hem weerhield van terugkeren. De stelling van eiser dat de familie [naam 1] bloedwraak wil nemen, heeft de minister niet aannemelijk hoeven achten nu eiser deze bedreigingen op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Eiser heeft in het nader gehoor aangegeven dat hij nog bewijs moet hebben van de telefonische bedreigingen en ook nog verklaringen heeft uit het ziekenhuis over de opname van zijn vader. Eiser heeft dergelijk bewijs echter niet overgelegd. De bedreigingen van de broer en vrouw van eiser zijn eveneens niet door eiser onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.
Bescherming door de autoriteiten
6. De minister stelt zich op het standpunt dat de vrees voor de bedreigingen bij terugkeer niet aannemelijk zijn gemaakt. Uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij door de politie kennelijk niet in verband wordt gebracht met de dood van de broer van [naam 2], [naam 1]. Bovendien heeft eiser nadien zonder problemen contact gehad met de autoriteiten. Eiser is tussentijds teruggekeerd naar Georgië, heeft een paspoort aangevraagd en verkregen, en is vervolgens legaal Georgië ook weer uit gereisd. Hieruit blijkt volgens de minister dat eiser geen problemen heeft ondervonden met de autoriteiten bij terugkomst. Ook volgt daar volgens de minister uit dat hij zich, als er zich problemen zullen voordoen, bij de autoriteiten kan melden en om bescherming kan vragen. Het standpunt van eiser dat hij geen bescherming kan krijgen in Georgië, omdat de burgemeester van [plaats] bevriend is met criminelen, betreft een aanname en is door eiser niet onderbouwd.
Eiser voert aan dat hij geen bescherming van de autoriteiten kan krijgen in zijn land van herkomst. Eiser stelt dat hij eerder aangifte heeft gedaan van de bedreigingen, maar dat de Georgische autoriteiten aangaven niets voor hem te kunnen doen. Volgens eiser volgt uit jurisprudentie van de Afdeling dat ter beantwoording van de vraag of een vreemdeling in het land van herkomst bescherming kan krijgen, de minister eerst dient te onderzoeken of in het desbetreffende land in het algemeen bescherming wordt geboden. Nadat die vraag bevestigend is beantwoord komt volgens eiser pas de uitspraak van de Afdeling van
5 augustus 2008 aan de orde of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het vragen van bescherming voor hem gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos moet worden geacht. Eiser stelt zich gelet op voornoemde jurisprudentie op het standpunt dat de minister eerst moet motiveren op welke gronden wordt aangenomen dat in Georgië bescherming van de autoriteiten kan worden verkregen, alvorens kan worden toegekomen aan de vraag of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij die bescherming niet kan krijgen. Daarbij acht eiser het van belang dat de minister bij de beoordeling van de algemene bescherming in Georgië er rekening mee houdt dat het laatste ambtsbericht over Georgië dateert van 15 december 2019 en geen recente beoordeling betreft.
De rechtbank oordeelt als volgt. Zoals onder rechtsoverweging 5.4 is overwogen, heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de door eiser gestelde problemen met de familie [naam 1] niet zwaarwegend genoeg zijn om een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Georgië aan te nemen. Nu eiser de vrees bij terugkeer niet aannemelijk heeft gemaakt en deze vrees niet enkel op grond van het hebben van beschermingsmogelijkheden in het eigen land ongegrond is verklaard, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank voor de minister geen verplichting om onderzoek te doen naar de mogelijkheden voor eiser om in Georgië in zijn algemeenheid bescherming van de autoriteiten te krijgen. De verwijzing van eiser naar de uitspraken van de Afdeling treft dan ook geen doel.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht geconcludeerd dat uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij door de politie kennelijk niet in verband wordt gebracht met de doodsoorzaak van zijn medereiziger, [naam 1] en dat hij zonder problemen een paspoort, een identiteitskaart en een rijbewijs heeft kunnen verkrijgen bij de autoriteiten, waarmee eiser op legale wijze probleemloos Georgië in- en uit heeft kunnen reizen. Naar het oordeel van de rechtbank wijst dit er niet op dat de door eiser gestelde vermenging of beïnvloeding tussen de criminele onderwereld en politiek in eisers geval een rol speelt in zijn mogelijkheid om bescherming te krijgen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van 29 oktober 2025 in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Brandwacht - Kampman, rechter, in aanwezigheid van S.E.M. Pot, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.