Vreemdelingenrecht

Bestreden besluit ingetrokken op zitting; verblijf bij COA aangetoond; beroep niet-ontvankelijk vanwege…

Rechtbank Den Haag, 6 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 6 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Zwolle
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Datum publicatie
8 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.27357
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:29722
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bestreden besluit ingetrokken op zitting; verblijf bij COA aangetoond; beroep niet-ontvankelijk vanwege ontbrekend procesbelang; aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.27357


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. A.W. IJland),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. L. Maring).

Procesverloop

1. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Georgische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1974. De minister heeft met het bestreden besluit van 11 mei 2026 deze aanvraag in de algemene procedure buiten behandeling gesteld.

1.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

1.2.

De rechtbank heeft het beroep op 29 september 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanvraag van eiser niet inhoudelijk behandeld hoefde te worden, omdat hij zich na het indienen van de asielaanvraag niet heeft gemeld bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: COA).

2.1.

Eiser heeft aangevoerd dat hij vanaf het indienen van zijn aanvraag bij het COA in Amsterdam heeft verbleven. Tijdens de zitting laat hij weten heel 2026 op de [locatie], [adres] te hebben verbleven.

2.2.

Tijdens de zitting heeft de rechtbank aan de minister voorgelegd dat er in het dossier een e-mail bericht zit, waaruit volgt dat het COA op 19 februari 2026 aan de minister heeft laten weten dat eiser op de Procesopvanglocatie in [plaats] verblijft. Deze informatie is voor de minister – na intern overleg – aanleiding om het bestreden besluit van 11 mei 2026 in te trekken. De minister heeft toegelicht dat het erop lijkt dat eiser bij het COA onder zijn oude V nummer bekend staat en niet onder het nieuwe V nummer en dat hierdoor miscommunicatie is ontstaan over het verblijf van eiser bij het COA. De minister heeft de intrekking van het bestreden besluit bevestigd per brief op 29 september 2026.

2.3.

De rechtbank overweegt dat eiser gelet op de intrekking van het bestreden besluit geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Het beroep moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. De rechtbank ziet in de intrekking van het bestreden besluit wel aanleiding om de minister te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De minister heeft hier niets tegenin gebracht. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 934,-, bestaande uit 1 punt voor het indienen van het beroepschrift.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, rechter, in aanwezigheid van mr. E.J. Snoeijer, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zaak NL26.27358.