Vreemdelingenrecht
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of Benin kan worden aangemerkt als een veilig derde land gelet…
Rechtbank Den Haag, 7 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:29738 · Rechtbank Den Haag · 7 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-29738
Zaakgegevens
Op 7 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2026
- Datum publicatie
- 8 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL25.57806
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:29738
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of Benin kan worden aangemerkt als een veilig derde land gelet op de medische situatie van minderjarige. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende beoordeeld of eiseres en haar kinderen in Benin volgens de beginselen, genoemd in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb zullen worden behandeld. Ook heeft de minister in de beoordeling onvoldoende kenbaar rekening heeft gehouden met en zorgvuldig onderzoek gedaan naar het belang van alle kinderen. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Beroep gegrond.
Uitspraak
fRECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.57806
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres
Mede namens haar minderjarige kinderen:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2017,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2019,
[minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2022,
allen van Somalische nationaliteit.
(gemachtigde: mr. J. Sinnema),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. J. O. Isibor).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend voor haar en haar minderjarige kinderen. Zij stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 4] 1994. De minister heeft met het bestreden besluit van 19 november 2025 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Gemachtigde van eiseres heeft aanvullende gronden en medische stukken ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, Y. Abdiqadir als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De rechtbank ziet zich, naar aanleiding van wat op zitting is besproken, allereerst voor de vraag gesteld welk recht van toepassing is op deze zaak, het recht van voor het Asiel- en migratiepact of het nu geldende recht. Uit artikel 79, derde lid, van de Procedureverordening volgt dat de Procedureverordening van toepassing is op aanvragen die worden ingediend vanaf 12 juni 2026. Vóór die datum ingediende verzoeken om internationale bescherming vallen onder Richtlijn 2013/32/EU (Procedurerichtlijn). Aangezien zowel de aanvraag als het bestreden besluit van vóór 12 juni 2026 zijn, is in deze zaak het recht van toepassing zoals gold vóór 12 juni 2026. Het besluit zal dan ook beoordeeld worden aan de hand van de Procedurerichtlijn.
Achtergrond aanvraag en bestreden besluit
4. Eiseres is met haar vier kinderen en haar man in 2018 weggegaan uit Somalië. Ze heeft van 2018 tot 2023 in Benin verbleven. De autoriteiten van Frankrijk hebben aan eiseres een visum verleend, waarmee zij Europa is ingereisd. Vanuit Frankrijk is eiseres in 2023 naar Nederland vertrokken. Ze heeft op 14 augustus 2023 een asielaanvraag ingediend.
De minister heeft de asielaanvraag van eiseres met het bestreden besluit van
19 november 2025 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de minister aanneemt dat Benin voor eiseres kan worden aangemerkt als een veilig derde land. De minister heeft uitstel van vertrek verleend omdat er een medisch onderzoek naar de situatie van [minderjarige 2] is opgestart in het kader van artikel 64 van de Vw. Eiseres krijgt dit uitstel totdat op de ambtshalve beoordeling is beslist. Dit geldt ook voor de minderjarige kinderen van eiseres.
Het standpunt van eiseres
5. Eiseres betwist dat zij een band heeft met Benin. Volgens eiseres is het enkele verblijf in Benin onvoldoende hiervoor. Eiseres wijst op de vreselijke ervaringen voor haar en de kinderen. Eiseres stelt dat de minister zich uitsluitend heeft gebaseerd op de algemene situatie dat Benin veilig is (Informatie Bericht 2025/33), zonder aantoonbare toetsing van de individuele omstandigheden van eiseres en haar kinderen. Volgens eiseres is niet gebleken dat er door de minister concrete, recente bronnen zijn onderzocht waaruit volgt dat er ten aanzien van de medische klachten van [minderjarige 2] effectieve bescherming bestaat. Ook bevat het bestreden besluit geen adequate individuele non-refoulement toets, waardoor sprake is van een motiveringsgebrek.
Gelet op de medische problematiek van [minderjarige 2] en de situatie dat eiseres en haar kinderen al lang uit Benin zijn vertrokken, vreest eiseres dat zij daar niet meer zal worden toegelaten. De minister had hier in het kader van de samenwerkingsplicht onderzoek naar moeten doen. Onder verwijzing naar de landeninformatie van TOELT, stelt eiseres dat veel vluchtelingen slecht worden behandeld en ernstige moeilijkheden hebben om toegang tot schoon water, voldoende voedsel, onderwijs, huisvesting en middelen van bestaan te krijgen. Eiseres leidt uit de landeninformatie af dat de toegang tot de gezondheidszorg een probleem is. Vluchtelingen hebben leningen moeten aangaan om behandeling van zieke kinderen te betalen. Gelet op de situatie van [minderjarige 2] zou hij bij terugkeer een risico lopen op het niet kunnen krijgen van de medische behandeling (en sondevoeding) die hij nodig heeft en zal sprake zijn van een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM. Op zitting heeft gemachtigde van eiseres naar voren gebracht dat de minister in het bestreden besluit ook niet in is gegaan op het belang van de minderjarige kinderen van eiseres op grond van het IVRK.
Het oordeel van de rechtbank
6. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw, kan de minister een asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaren als een derde land voor de vreemdeling als veilig derde land wordt beschouwd. In artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb zijn de toetsingscriteria neergelegd waaraan voldaan moet zijn. Op grond van vaste rechtspraak moet de minister eerst beoordelen of een vreemdeling een zodanige band heeft met het derde land, dat het voor hem of haar redelijk is om daar naar toe te gaan. Bij deze beoordeling worden alle relevante feiten en omstandigheden betrokken, waaronder de aard, duur en omstandigheden van het eerdere verblijf in dat land. De minister neemt in ieder geval aan dat de vreemdeling een zodanige band heeft met het derde land als de vreemdeling eerder in dat land heeft verbleven. De minister moet vervolgens beoordelen of het aannemelijk is dat de vreemdeling wordt toegelaten tot dat land. De minister moet aan de hand van informatie uit algemene bronnen of op grond van de verklaringen van eiseres motiveren waarom het voor eiseres mogelijk moet zijn om (weer) toegang te verkrijgen tot Benin. Tot slot moet de minister beoordelen of Benin een veilig derde land voor eiseres en haar kinderen is. Daartoe dient de minister te beoordelen of zij in het betreffende land volgens de beginselen, genoemd in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb zullen worden behandeld.
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft kunnen concluderen dat eiseres een band heeft met Benin (Vc 2/6.3). Hiervoor heeft de minister kunnen wijzen op de verklaringen van eiseres dat zij in de periode van 2018 tot 2023 met haar kinderen in Benin heeft verbleven.
8. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of Benin kan worden aangemerkt als een veilig derde land gelet op de medische situatie van [minderjarige 2]. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende beoordeeld of eiseres en haar kinderen in Benin volgens de beginselen, genoemd in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb zullen worden behandeld. De rechtbank weegt daarbij de namens eiseres na indiening van het beroep overgelegde stukken met betrekking tot de medische situatie van [minderjarige 2] mee.
Een van deze overgelegde stukken, behorend bij de besluitvorming ten aanzien van artikel 64 Vw, is het BMA-advies van 17 maart 2026 waarin is geconcludeerd dat bij [minderjarige 2] sprake zal zijn van een medische noodsuatie bij terugkeer naar Benin, maar dat in Benin wel behandelmogelijkheden voorhanden zijn. In de overige overgelegde stukken, namelijk de reactie van de gemachtigde op dit advies, de brieven van de kinderrevalidatiearts van
7 oktober 2025 en 2 december 2025 en de brief van de kinderarts van 21 september 2026 zijn forse problemen en grote zorgen naar voren gebracht over de problematiek en de voorhanden zijnde behandelmogelijkheden. Deze zien zowel op de gezondheid en veiligheid van [minderjarige 2] gelet op zijn medische problematiek en het (hygiëne)niveau van de voorzieningen in Benin als ook op de mogelijkheid voor eiseres om zowel de zorg voor [minderjarige 2] te dragen als die voor haar andere minderjarige kinderen zonder de opvangvoorzieningen zoals die in Nederland beschikbaar zijn.
De rechtbank stelt vast dat de minister weliswaar de medische situatie van [minderjarige 2] in het bestreden besluit heeft betrokken in het kader van artikel 64 van de Vw, maar dat niet heeft betrokken bij de beoordeling van Benin als veilig derde land als bedoeld in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vb. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het op de weg van de minister om de medische situatie van [minderjarige 2] en de gevolgen daarvan voor het gezin van eiseres te betrekken bij de beoordeling van Benin als veilig derde land en te motiveren waarom geen sprake zal zijn van ernstige schade bij terugkeer naar Benin. Daarom komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank draagt de minister op om een nieuw besluit te nemen waarbij nader onderzoek wordt gedaan naar de medische situatie van [minderjarige 2] en de gevolgen daarvan voor het gezin en daarbij de overgelegde documenten en actuele landeninformatie te betrekken. De minister zal moeten beoordelen of aanleiding zal zijn om een nieuw/aanvullend BMA-advies te vragen.
9. Verder volgt de rechtbank eiseres in het standpunt dat de minister in de beoordeling onvoldoende kenbaar rekening heeft gehouden met en zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar het belang van alle kinderen. De minister dient immers bij iedere beslissing ook het belang van de kinderen te belichten en daarbij alle relevante feiten en omstandigheden mee te nemen. De minister dient daarbij de ontwikkeling en de behoeftes van de kinderen te betrekken, maar ook wat het betekent voor de kinderen als zij hier zouden mogen blijven of als zou zouden moeten terugkeren naar Benin. De minister zal dit moeten motiveren ook in relatie tot de medische situatie van [minderjarige 2] en de belastbaarheid van eiseres. De beroepsgronden slagen.
10. Nu het besluit gelet op de hiervoor genoemde motiverings- en zorgvuldigheidsgebreken niet in stand kan blijven, komt de rechtbank aan bespreking van de overige beroepsgronden niet toe.
Conclusie en gevolgen
11. De minister heeft de aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen, omdat nader onderzoek naar de medische situatie van [minderjarige 2], de risico’s bij terugkeer en het belang van de minderjarige kinderen noodzakelijk is.
De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 19 november 2025;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Brandwacht-Kampman, rechter, in aanwezigheid van mr. T.C. Kasper-Kleve, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.