Vreemdelingenrecht
Verlengingsbesluit; kennisgeving niet onverwijld, belangenafweging in het voordeel van de minister…
Rechtbank Den Haag, 7 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:29819 · Rechtbank Den Haag · 7 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-29819
Zaakgegevens
Op 7 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2026
- Datum publicatie
- 9 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL26.58585
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:29819
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verlengingsbesluit; kennisgeving niet onverwijld, belangenafweging in het voordeel van de minister; meewerkplicht, zicht op uitzetting, voortvarendheid; ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.58585
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. J. Singh),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A.N. Sap).
Procesverloop
De minister heeft op 31 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Bij besluit van 25 september 2026, ingaande op 27 september 2026, heeft de minister de maatregel van bewaring met ten hoogste twaalf maanden verlengd.
De minister heeft de rechtbank op 1 oktober 2026 van het verlengingsbesluit in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met schriftelijke afdoening van de zaak. Eiser heeft de gronden van beroep ingediend. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens op 6 oktober 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Tunesische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op
[geboortedatum] 2006.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. Via artikel 94, zevende lid, eerste volzin, van die wet geldt hetzelfde voor een verlengingsbesluit. Voor de verlenging van de maatregel van bewaring geldt verder op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw dat deze maatregel na afloop van zes maanden met maximaal nog eens twaalf maanden kan worden verlengd indien de verwijdering, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, omdat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn verwijdering of de daarvoor benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.
Tijdige indiening kennisgeving
3. Ambtshalve is de rechtbank gebleken dat het verlengingsbesluit dateert van
25 september 2026, ingaande op 27 september 2026, en de kennisgeving hieromtrent op
1 oktober 2026 door het CIV is ontvangen. De rechtbank heeft de kennisgeving op
2 oktober 2026 van het CIV ontvangen. De Afdeling heeft in de uitspraak van 17 september 2026 geoordeeld dat een kennisgeving alleen als ‘onverwijld’ (als bedoeld in artikel 94, eerste lid, van de Vw) kan worden aangemerkt, als deze direct na het opleggen van de maatregel aan de rechtspraak wordt verstuurd, of in ieder geval zo kort daarna dat dit redelijkerwijs nog als gelijktijdig kan worden aangemerkt. Daarvan is sprake als de kennisgeving binnen zes uur na oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel naar de rechtbank is verstuurd. In deze uitspraak wordt niet expliciet over verlengingsbesluiten gesproken. Echter, de Afdeling citeert de Memorie van Toelichting ter onderbouwing van haar oordeel. Uit die Memorie van Toelichting volgt dat uit consistentieoverwegingen het voorgestelde eerste lid van artikel 94 van de Vw in overeenstemming met artikel 94, zevende lid, van de Vw van overeenkomstige toepassing is op besluiten tot verlenging van vrijheidsontnemende maatregelen als bedoeld in artikel 59, zesde lid, van de Vw. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook in het geval van verlengingsbesluiten de kennisgeving binnen zes uur na de inwerkingtreding daarvan naar het CIV moet zijn verstuurd. De kennisgeving is in dit geval niet onverwijld, te weten binnen de vereiste zes uur, ontvangen door de rechtbank. De verplichting om de rechtbank onverwijld in kennis te stellen van een vrijheidsontneming is volgens de Afdeling weliswaar van belang voor een adequate rechtsbescherming, maar raakt niet de rechtmatigheid van de maatregel zelf. Het niet nakomen daarvan maakt de vrijheidsontnemende maatregel alleen onrechtmatig als de maatregel, gelet op de ernst van het gebrek en bij afweging van alle daarbij betrokken belangen, niet meer gerechtvaardigd is. Bij die belangenafweging is in het bijzonder van belang in hoeverre eiser door de gang van zaken is geschaad in zijn verdediging. De rechtbank is van oordeel dat deze belangenafweging in het voordeel van de minister uitvalt. De minister heeft de rechtspraak weliswaar pas vier dagen nadat het besluit in werking is getreden in kennis gesteld van het besluit, maar de rechtbank heeft het beroep nog tijdig kunnen behandelen en is van oordeel dat eiser door deze gang van zaken niet in zijn verdediging is geschaad.
Meewerkplicht
4. Eiser voert aan dat hem ten onrechte wordt verweten dat hij niet meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit. Er is geen sprake van onwil, maar onmacht. Eiser heeft geen identiteitsdocument en kan deze ook niet krijgen.
De rechtbank volgt eiser daarin niet. In de vertrekgesprekken die met eiser zijn gevoerd op 1 mei 2026, 4 juni 2026, 30 juli 2026 en 17 augustus 2026 heeft de regievoerder gewezen op de meewerkplicht van eiser. Desondanks heeft eiser meerdere malen verklaard niet terug te willen keren zolang hij in bewaring is gesteld en heeft hij onvoldoende medewerking verleend aan de vaststelling van zijn identiteit. Zo heeft eiser in de vertrekgesprekken van 1 mei 2026 en 4 juni 2026 verklaard dat hij vanuit vrijheid zijn paspoort zal regelen en de benodigde documenten niet wil afgeven aan DTenV. Ook wil hij geen contact opnemen met de consul van Tunesië en heeft hij geweigerd zijn vingerafdrukken af te geven toen de Tunesische autoriteiten daar om vroegen ter bevordering van de lp-aanvraag. Dat eiser op een later moment wel zijn medewerking heeft verleend aan de afname van zijn vingerafdrukken, maakt niet dat hij in voldoende mate heeft voldaan aan zijn meewerkplicht. Ook heeft eiser wisselend verklaard over de mogelijkheid een identiteitsdocument te verkrijgen. De enkele stelling dat hij in bewijsnood verkeert, zonder onderbouwing dat hij heeft geprobeerd identiteits- of andere identificerende documenten te verkrijgen, is daarvoor onvoldoende. Ook in het vertrekgesprek van 14 september 2026 heeft eiser herhaald dat hij niet wil terugkeren. Het lp-traject loopt nog en daarvoor is het ook van belang dat eiser meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit. De minister heeft terecht geconcludeerd dat eiser niet meewerkt. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister de bewaring met ten hoogste twaalf maanden mocht verlengen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op uitzetting en voortvarendheid
5. Eiser voert aan dat er geen sprake is van zicht op uitzetting en dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De minister heeft niet bij de Tunesische autoriteiten geïnformeerd waarom geen antwoord op de lp-aanvraag van eiser is gekomen. Om die redenen is het verlengingsbesluit niet redelijk te achten en dient te maatregel van inbewaringstelling te worden opgeheven.
De rechtbank volgt eiser daarin niet. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de minister steeds rappelleert, voor het laatst op 30 september 2026. Ook voert de minister vertrekgesprekken, voor het laatst op 25 september 2026. Verder volgt uit de voortgangsrapportage dat Tunesië heeft gereageerd en om nieuwe (duidelijkere) vingerafdrukken vroeg. Die vingerafdrukken zijn door de minister, met vertraging vanwege eisers weigerachtige houding, gegeven. Daarmee heeft de minister maandelijks uitzettingshandelingen verricht en voldoende gedaan om de lp-aanvraag bij de Tunesische autoriteiten onder de aandacht te brengen. De rechtbank acht daarbij van belang dat de minister voor het verstrekken van een lp en de voortgang daarin, afhankelijk is van de Tunesische autoriteiten. Dat er nog geen lp is afgegeven, betekent niet dat dit niet zal gebeuren en betekent evenmin dat er op dit moment geen redelijk vooruitzicht op verwijdering bestaat. Eiser heeft daarnaast zelf in de hand hoe snel het proces verloopt. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister de bewaring met ten hoogste twaalf maanden mocht verlengen. Deze beroepsgronden slagen niet.
Ambtshalve toetsing
6. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het voorduren van de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van
C. Holmond, griffier.De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.
17 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5462. Memorie van toelichting Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026, Kamerstuk 36.871, TK, nr. 3, onderdeel BR. De Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV). Laissez-passer (lp). Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148.