Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk, beroep ingetrokken
Rechtbank Den Haag, 9 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30061 · Rechtbank Den Haag · 9 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-30061
Zaakgegevens
Op 9 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 9 oktober 2026
- Datum publicatie
- 12 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL23.28069
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:30061
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk, beroep ingetrokken
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL23.28069
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de voorzieningenrechter van in de zaak tussen
[verzoeker],
geboren op [geboortedag] 1995, van Egyptische nationaliteit, verzoeker,
(gemachtigde: mr. T.E. van Houwelingen-Boer)
en
de minister van Asiel en Migratie , de minister.
Procesverloop
De minister heeft bij besluit van 19 augustus 2023 (het bestreden besluit) bepaald dat het recht van verzoeker op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming eindigt op 4 september 2023.
Verzoeker heeft de voorzieningenrechter op 7 september 2023 verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Op dezelfde datum heeft verzoeker beroep ingediend tegen het bestreden besluit.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Gebleken is dat verzoekster op 27 februari 2026 het beroep heeft ingetrokken. Er wordt daarmee niet langer voldaan aan het in artikel 8:81 van de Awb neergelegde connexiteitsvereiste, dat inhoudt dat een voorlopige voorziening alleen hangende een procedure mogelijk is. Aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek kan de voorzieningenrechter dan ook niet meer toekomen.
Conclusie
2. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.