Vreemdelingenrecht

Voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk, beroep ingetrokken

Rechtbank Den Haag, 9 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 9 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
9 oktober 2026
Datum publicatie
12 oktober 2026
Zaaknummer
NL23.25107
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:30064
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk, beroep ingetrokken

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL23.25107

V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker],

geboren op [geboortedag] 1997, van Keniaanse nationaliteit, verzoeker

(gemachtigde: mr. J.A. Neslo)

en

de minister van Asiel en Migratie , de minister.

Procesverloop

De minister heeft bij besluit van 9 augustus 2023 (het bestreden besluit) bepaald dat het recht van verzoeker op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming eindigt op 4 september 2023.

Verzoeker heeft de voorzieningenrechter op 30 augustus 2023 verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Op dezelfde datum heeft verzoeker beroep ingediend tegen het bestreden besluit.

De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De minister heeft op 20 februari 2024 laten weten dat het bestreden besluit is ingetrokken in verband met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 januari 2024.

2. Gebleken is dat verzoeker op 21 februari 2024 het beroep heeft ingetrokken. Er wordt daarmee niet langer voldaan aan het in artikel 8:81 van de Awb neergelegde connexiteitsvereiste, dat inhoudt dat een voorlopige voorziening alleen hangende een procedure mogelijk is. Aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek kan de voorzieningenrechter dan ook niet meer toekomen.

Conclusie

3. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Richtlijn 2001/55/EG betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen. Zaaknummer: NL23.25106. ECLI:NL:RVS:2024:32.