Vreemdelingenrecht

Aanvraag voor machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij…

Rechtbank Den Haag, 12 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 12 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
12 oktober 2026
Datum publicatie
12 oktober 2026
Zaaknummer
NL24.16673
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:30079
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Aanvraag voor machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij referent’. Eisers voeren allereerst aan dat de vluchtsituatie onvoldoende is betrokken in de beoordeling van het jongvolwassenenbeleid. De rechtbank is van oordeel dat de toepassing van het criterium van ‘niet in eigen onderhoud voorzien’ niet onrechtmatig is. Ook is de rechtbank is verder van oordeel dat niet is gebleken dat de situatie rondom het vertrek van referent uit Saudi-Arabië onvoldoende betrokken heeft. Tot slot is rechtbank van oordeel dat de minister terecht heeft geoordeeld dat er geen sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen referent en eisers. Het beroep is ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL24.16673

V-nummers: [V-nummer 1]

[V-nummer 2]

[V-nummer 3]

[V-nummer 4]


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1] , geboren op [geboortedag 2] 1962,

[eiser 2] , geboren op [geboortedag 3] 1966,

[eiser 3] , geboren op [geboortedag 4] 1995,

en

[eiser 4] , geboren op [geboortedag 5] 2002,

allen van Jemenitische nationaliteit,

hierna samen te noemen als eisers

(gemachtigde: mr. C.J. Ullersma),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna de minister

(gemachtigde: mr. M.A. Nugteren).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvragen van eisers voor verblijf bij [referent] (referent). Referent heeft asiel in Nederland en eisers, die in Saudi-Arabië wonen, zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag om na te reizen. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht de aanvraag van eisers heeft afgewezen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 15 oktober 2020 een aanvraag ingediend voor machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij referent’. De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 3 augustus 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 maart 2024 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

2.1.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 31 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. De gemachtigde van eisers is met bericht van afwezigheid niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Griffierecht

3. Eisers hebben de rechtbank verzocht om vrijstelling van het griffierecht vanwege betalingsonmacht. De rechtbank wijst het verzoek om vrijstelling van het griffierecht toe, omdat aannemelijk is dat zij aan de voorwaarden voldoen. Dit betekent dat eisers geen griffierecht verschuldigd zijn.

Achtergrond

4. Eisers wonen in Saudi-Arabië. Referent, geboren op [geboortedag 1] 1997, heeft een asielvergunning in Nederland en zijn familie bestaande uit zijn ouders, broertje en zusje hebben een mvv-aanvraag ingediend om bij hem te verblijven. De minister heeft de aanvraag op 18 januari 2021 met een kennisgeving buiten behandeling gesteld omdat de aanvraag niet compleet was. Op 12 februari 2021 hebben eisers hiertegen bezwaar gemaakt. Met het primaire besluit van 3 augustus 2021 heeft de minister het bezwaar gericht tegen de buiten behandeling stelling van de aanvraag gegrond verklaard. Met hetzelfde besluit heeft de minister de aanvraag van eisers afgewezen. Referent heeft het bezwaar toegelicht op de hoorzitting van 20 maart 2024. Op 20 maart 2024 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard, omdat volgens de minister geen sprake is van familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

Het bestreden besluit

5. In het primaire besluit heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat referent kan worden aangemerkt als jongvolwassene in de zin van het jongvolwassenenbeleid. In het bestreden besluit is de minister hiervan teruggekomen. De minister stelt zich daarin op het standpunt dat referent niet meer afhankelijk is van zijn ouders en dus niet aangemerkt kan worden als jongvolwassene in de zin van het jongvolwassenenbeleid. Daarbij neemt de minister mee dat referent in Maleisië negen maanden zelfstandig heeft gewoond en vervolgens heeft besloten om al twee jaar voor het aflopen van zijn verblijfsvergunning in Saudi-Arabië naar Nederland te vertrekken en daarna nog langer dan een jaar heeft gewacht met het indienen van gezinsherenigingsaanvragen voor zijn gezinsleden. Tijdens de hoorzitting heeft referent verklaard dat hij zich als oudste zoon ook verantwoordelijk voelt om voor zijn ouders te zorgen en gebleken is dat hij daar ook toe in staat is. Verder heeft referent verklaard dat hij voor zichzelf kan zorgen. Uit die omstandigheden blijkt niet dat eiser niet in zijn eigen onderhoud voorziet, maar juist van een situatie dat eiser zijn ouders financieel ondersteunt.

5.1.

De minister heeft verder beoordeeld of tussen referent en zijn ouders en tussen referent en zijn broertje en zusje een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid bestaat. Ten aanzien van de ouders van referent stelt de minister zich op het standpunt dat er geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen hen. Hieruit volgt dat er geen sprake is van familie- of gezinsleven tussen referent en zijn ouders in de zin van artikel 8 van het EVRM. Ook tussen referent en zijn broertje en zusje wordt geen gezinsleven aangenomen.

Het jongvolwassenenbeleid

6. Eisers voeren aan dat de vluchtsituatie onvoldoende is betrokken in de beoordeling van het jongvolwassenenbeleid. Referent is gedwongen gescheiden van zijn familie en dit is erkend door zijn asielstatus. Dat referent voor het aflopen van zijn verblijfsvergunning uit Saudi-Arabië is vertrokken doet daar niet aan af, nu hij vanaf het moment dat hij zijn vergunning kwijt zou raken uitgezet kon worden naar Jemen. Referent heeft op tijd actie ondernomen en is twee jaar voor het verstrijken van zijn vergunning vertrokken. Eisers voeren daarnaast aan dat het hoofdcriterium is of referent een eigen gezin heeft gevormd, de vraag of referent in zijn eigen onderhoud voorziet, niet in overeenstemming is met hoe het EHRM artikel 8 van het EVRM interpreteert. Hierover zijn ook prejudiciële vragen gesteld. Referent heeft gedwongen stappen naar zelfstandigheid moeten ondernemen.

6.1.

De rechtbank is van oordeel dat de toepassing van het criterium van ‘niet in eigen onderhoud voorzien’ niet onrechtmatig is. Zoals de minister terecht heeft opgemerkt zijn de prejudiciële vragen die over het jongvolwassenenbeleid zijn gesteld en de toepassing van het criterium, inmiddels beantwoord en heeft de Afdeling geoordeeld in haar uitspraken van 29 mei 2024 dat deze niet onrechtmatig zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding om van dat oordeel af te wijken.

6.2.

De rechtbank is verder van oordeel dat niet is gebleken dat de situatie rondom het vertrek van referent uit Saudi-Arabië onvoldoende betrokken heeft. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat er sprake was van een gedwongen scheiding als gevolg van een vluchtsituatie. Zoals de minister verder heeft toegelicht ter zitting, heeft referent een asielvergunning gekregen vanwege de situatie in Jemen en de situatie die zou ontstaan als hij naar dat land zou worden gestuurd. Niet is gebleken dat eiser vanwege een vluchtsituatie Saudi-Arabië heeft moeten verlaten. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.

Bijkomende elementen van afhankelijkheid

7. Eisers voeren verder aan dat de context van de situatie niet is erkend in de besluitvorming. Referent heeft gedwongen moeten breken met zijn gezin, maar hij heeft de wil om met zijn gezin te herenigen. Ten onrechte is daarnaast geen band met de ouders aangenomen en daardoor ook niet met de andere kinderen van het gezin. De lat om gezinsleven tussen broertje en zusje aan te nemen is volgens het EHRM niet hoog.

7.1.

De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft geoordeeld dat er geen sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen referent en eisers. De minister heeft voldoende kenbaar de situatie van referent bij zijn vertrek uit Saudi-Arabië betrokken in de beoordeling. Referent woonde voorafgaand aan zijn vertrek samen met eisers, maar heeft ook een periode zelfstandig in Maleisië gewoond. Eisers hebben verder geen omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, waardoor er familieleven moet worden aangenomen. De wil om te herenigen is invoelbaar, maar onvoldoende om afhankelijkheid aan te nemen. De rechtbank volgt eisers ook niet in de stelling dat de relatie tussen referent en zijn broertje en zusjes niet afzonderlijk is beoordeeld in het bestreden besluit. De minister heeft een kenbare beoordeling daarvan gemaakt en heeft in die beoordeling toegelicht dat gesteld noch gebleken is dat er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. De beroepsgrond slaagt niet.

7.2.

Reeds hierom mocht de minister de aanvraag van eisers afwijzen en hoeft er geen belangenafweging te worden gemaakt.

Conclusie en gevolgen

8. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Eisers krijgen geen gelijk. Er is geen aanleiding om de proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Verdrag betreffende de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Europees hof voor de rechten van de mens. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2024:2145 en ECLI:NL:RVS:2024:2146. Onder andere op pagina 7 en 8 van het bestreden besluit. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1189.