Vreemdelingenrecht
Visum kort verblijf voor familiebezoek. Na het instellen van het beroep niet tijdig beslissen heeft de…
Rechtbank Den Haag, 12 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30092 · Rechtbank Den Haag · 12 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-30092
Zaakgegevens
Op 12 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 12 oktober 2026
- Datum publicatie
- 12 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL24.21369
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:30092
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Visum kort verblijf voor familiebezoek. Na het instellen van het beroep niet tijdig beslissen heeft de minister alsnog beslist op de aanvraag van eisers. Dat betekent dat eisers geen inhoudelijk belang meer hebben bij een beoordeling van hun beroep tegen het niet tijdig beslissen. Het beroep is voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan ook niet-ontvankelijk. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister de hoorplicht heeft geschonden en eisers in de gelegenheid had moeten stellen om gehoord te worden in de bezwaarfase. Het beroep is gegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.21369
V-nummers: [V-nummer 1]
[V-nummer 2]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser 1] , geboren op [geboortedag 1] 1960,
en
[eiser 2] , geboren op [geboortedag 2] 1965,
hierna samen te noemen als eisers
(gemachtigde: mr. M. Gavami),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder, hierna de minister
(gemachtigde: mr. M.A. Nugteren).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers, die in Iran wonen, voor een visum kort verblijf om hun dochter in Nederland te bezoeken. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de hoorplicht is geschonden door de minister en dat er een motiveringsgebrek kleeft aan het bestreden besluit. Eisers krijgen gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eisers hebben op 20 juni 2023 een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf. De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 17 juli 2023 afgewezen. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Met het bestreden besluit van 23 juli 2024 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Het beroep van eisers tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft mede betrekking tegen het alsnog genomen besluit (bestreden besluit).
De rechtbank heeft het beroep op 31 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [referente] (referente), W. Riasaty als tolk in de Perzische taal en de gemachtigden van partijen.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond
3. Eisers zijn beiden van Iraanse nationaliteit en willen hun dochter (referente) bezoeken in Nederland.
Bestreden besluit
4. De minister heeft de aanvraag van eisers, gehandhaafd in het bestreden besluit, afgewezen omdat de sociale en economische binding van eisers met Iran onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Daarom wordt ook getwijfeld aan de uiteindelijke verblijfsduur en het reisdoel. Referente is eerder op een Spaans visum Nederland ingereisd, maar heeft vervolgens niet binnen de daarvoor gestelde termijn het Schengengebied verlaten. Dit doet af aan de betrouwbaarheid van referente. In bezwaar is gesteld dat referente ook garant wil staan, maar hier is geen officiële verklaring van overgelegd. Het bezwaar is kennelijk ongegrond en de minister hoeft daarom geen dwangsom te betalen. Er was dan ook geen aanleiding om eisers te horen.
De beroepsgronden
5. Eisers voeren aan dat zij binding met Iran hebben, waardoor zij tijdig zullen terugkeren. Ze zijn gepensioneerd en ontvangen daaruit inkomsten. Het pensioen dat zij ontvangen is voor Iraanse begrippen meer dan voldoende. Eiser beheert ook een familietuin en verricht werkzaamheden als boer. Ze zijn ook eigenaar van meerdere woningen in Iran die ze verhuren. Eisers hebben nog een zoon met een kleinzoon in Iran die ze verzorgen tijdens de werkweek en zij verrichten zorgtaken voor de vader van eiser. De kinderen van eisers kunnen niet naar Iran reizen. Eisers hebben geen andere keuze dan de reis naar Nederland om een tijd bij hun kinderen te kunnen doorbrengen. Zij hebben geen intentie om zich hier te vestigen. De overwegingen van de minister zijn discriminatoir, want het betekent dat iemand in eisers situatie nooit een visum kan krijgen. De minister had eisers moeten horen om duidelijkheid te verkrijgen.
Beroep niet tijdig beslissen
6. Na het instellen van het beroep niet tijdig beslissen heeft de minister alsnog beslist op de aanvraag van eisers. Dat betekent dat eisers geen inhoudelijk belang meer hebben bij een beoordeling van hun beroep tegen het niet tijdig beslissen. Het beroep is voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit dan ook niet-ontvankelijk.
De hoorplicht
7. Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Het horen in bezwaar heeft, gelet op de wetsgeschiedenis, niet enkel het doel om een nadere mondelinge toelichting te geven. Een hoorzitting kan er ook toe dienen om nadere informatie ter beschikking te krijgen en het biedt de gelegenheid om naar een oplossing voor de gerezen problemen te zoeken. Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. Een bezwaar kan dan kennelijk ongegrond worden verklaard. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan. Als relevante omstandigheid heeft de Afdeling onder meer genoemd de mate waarin een vreemdeling bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van de verzochte informatie.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de hoorplicht heeft geschonden en eisers in de gelegenheid had moeten stellen om gehoord te worden in de bezwaarfase. Eisers hebben gepoogd om hun aanvraag te staven door het overleggen van meerdere stukken. Zo hebben zij bijvoorbeeld verschillende eigendomsaktes overgelegd en stukken met betrekking tot inkomsten die zij genereren. Ter zitting heeft referente een verdere toelichting op die stukken gegeven, over de omstandigheden waarin eisers leven in Iran en hoe zij inkomsten generen. Die toelichting was volgens de rechtbank ook duidelijk te herleiden naar de stukken die zijn overgelegd. Het geven van zo een toelichting is bij uitstek iets waar een hoorzitting geschikt voor is. De minister had daar de eventuele vragen kunnen stellen die er nog waren over de situatie van eisers en hen in de gelegenheid kunnen stellen om daar waar nodig de stukken verder aan te vullen. De minister heeft ten onrechte aan eisers die mogelijkheid niet geboden en het bestreden besluit kennelijk ongegrond verklaard zonder te horen. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
8. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. De minister heeft ten onrechte eisers niet gehoord in de bezwaarfase en het bestreden besluit is onvoldoende zorgvuldig voorbereid en gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
9. Nu het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eisers gemaakte proceskosten en moet de minister het griffierecht aan eisers vergoeden. Deze vergoeding van de proceskosten bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het alsnog genomen bestreden besluit gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: