Vreemdelingenrecht

Beroep niet-ontvankelijk. Voldoende concrete aanknopingspunten om ervan uit te gaan dat eiser geen prijs meer…

Rechtbank Den Haag, 12 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 12 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
12 oktober 2026
Datum publicatie
12 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.12151 en NL26.12152
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:30095
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Beroep niet-ontvankelijk. Voldoende concrete aanknopingspunten om ervan uit te gaan dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Gemachtigde van eiser heeft geen contact meer met eiser en eiser kwam niet naar de zitting. Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL26.12151 (beroep) en NL26.12152 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [V nummer]


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen


[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. N. Birrou),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. T.J.A.J. Tichelaar).

Inleiding

1.1.

Eiser heeft op 12 februari 2026 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Turkse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2006. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 1 maart 2026 in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

1.2.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

1.3.

De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op
6 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. De gemachtigde van eiser is, met bericht vooraf, niet verschenen. Eiser is ook niet verschenen.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.12151:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.12152:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Overwegingen

2.1.

De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2.2.

Als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming (MOB) vertrekt uit een opvanglocatie moet er volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling) in beginsel vanuit worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. De bestuursrechter zal echter voorzichtig moeten omgaan met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een MOB-melding. Zolang de gemachtigde contact heeft met de vreemdeling, mag er volgens de Afdeling van worden uitgegaan dat de vreemdeling belang heeft bij zijn procedure om een verblijfsrecht in Nederland te verkrijgen.

2.3.

Voorafgaand aan de zitting heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank laten weten dat hij eiser niet meer kan bereiken op het bij hem bekende telefoonnummer. Hij heeft eiser destijds op de hoogte gesteld van datum en tijd van de zitting, maar eiser heeft daarna geen contact meer met hem opgenomen.

2.4.

Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister aangegeven dat hij van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers heeft vernomen eiser niet staat geregistreerd als MOB. Hoewel een officiële MOB-melding in dit geval dus ontbreekt, ziet de rechtbank verder wel voldoende concrete aanknopingspunten om ervan uit te gaan dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Die aanknopingspunten zitten in het bericht van de gemachtigde van eiser voorafgaand aan de zitting en in de omstandigheid dat eiser, zonder bericht van verhindering, niet naar de zitting is gekomen.

2.5.

Het procesbelang is daarmee komen te ontvallen. Dat betekent dat het beroep
niet-ontvankelijk is. Het is daarom niet meer nodig om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt dan ook afgewezen.

2.6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.7.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling. Het hoger beroep moet worden ingediend binnen een week na ontvangst van dit proces-verbaal.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2026 door mr. H.J. Schaberg, rechter, in aanwezigheid van mr. I.G.A. Karregat, griffier.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Zie de uitspraak van 1 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2662).