Vreemdelingenrecht
verzoek om voorlopige voorziening is niet ontvankelijk vanwege het ontbreken van connexiteit
Rechtbank Den Haag, 15 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30755 · Rechtbank Den Haag · 15 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-30755
Zaakgegevens
Op 15 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 15 oktober 2026
- Datum publicatie
- 19 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL23.38267
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:30755
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
verzoek om voorlopige voorziening is niet ontvankelijk vanwege het ontbreken van connexiteit
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL23.38267
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[rechtzoekende], rechtzoekende,
(gemachtigde: mr. J.M.M. Heilbron),
en
de minister van Asiel en Migratie .
Procesverloop
Met het besluit van 24 november 2023 heeft de minister bepaald dat rechtzoekende vanaf 4 september 2023 niet (langer) recht heeft op tijdelijke bescherming op grond van de RTB. Op 6 december 2023 heeft rechtzoekende tegen het besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Dit beroep is op 7 maart 2024 ingetrokken.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Omdat rechtzoekende het beroep heeft ingetrokken, is er geen sprake meer van een met deze procedure verbonden (bodem)zaak. Gelet hierop komt de voorzieningenrechter niet toe aan een inhoudelijke beoordeling.
Conclusie
2. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.