Vreemdelingenrecht
Verzet gegrond; beroep niet tijdig beslissen (ntb); besluit- en vertrekmoratorium Syrië; andere beslistermijn…
Rechtbank Den Haag, 10 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:30860 · Rechtbank Den Haag · 10 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-30860
Zaakgegevens
Op 10 september 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 10 september 2026
- Datum publicatie
- 20 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL25.29921 V
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:30860
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzet gegrond; beroep niet tijdig beslissen (ntb); besluit- en vertrekmoratorium Syrië; andere beslistermijn gehanteerd.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.29921 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[opposant]
, V-nummer: [V-nummer] , opposant
(gemachtigde: mr. A. Khalaf),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 21 oktober 2025 in het geding tussen
opposant
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 21 oktober 2025 waarin de rechtbank het beroep van opposant ongegrond heeft verklaard.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
Beoordeling door de rechtbank
Het beroep van opposant en de uitspraak van 21 oktober 2025
2. Het beroep van opposant ging over het niet tijdig beslissen door de minister
op zijn asielaanvraag van 31 januari 2024. De rechtbank heeft uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het oordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft in de uitspraak van 21 oktober 2025 het beroep ongegrond geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat het besluit- en beslismoratorium voor Syrië ook van toepassing is op asielaanvragen waarvan de oorspronkelijke beslistermijn (zes maanden na het indienen van de aanvraag) al is verstreken op het moment van inwerkingtreding van het beslismoratorium. Volgens de rechtbank was in eisers geval de uiterlijke beslisdatum 31 oktober 2025 (21 maanden na de datum van de asielaanvraag). De rechtbank oordeelde dat hoewel de ingebrekestelling op 21 augustus 2024 terecht was gedaan, namelijk na het verstrijken van de beslistermijn op 31 juli 2024, het beroep alsnog ongegrond was omdat de beslistermijn met de inwerkingtreding van het besluitmoratorium is opgeschort en verlengd.
Wat vindt opposant in verzet?
3. Opposant heeft verzet gedaan, omdat hij het niet eens is met de uitspraak van 21 oktober 2025. Opposant heeft in verzet aangevoerd dat het besluitmoratorium voor Syrië buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat hij staatloos Palestijn is en, hoewel hij in Syrië is geboren, hij geen Syriër is. Daarnaast is er sprake van divergente jurisprudentie, omdat beroepen in soortgelijke gevallen bij andere rechtbanken wel kennelijk gegrond worden geacht. Eiser verzoek de rechtbank de jurisprudentielijn van de rechtbank Rotterdam over te nemen. Ook verzoekt eiser de rechtbank om het beroep gegrond te verklaren met het oog op het beginsel van gelijke behandeling. Daarnaast voert opposant aan dat hij reden ziet om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) over de uitleg van artikel 31van de Procedurerichtlijn.
Wat zijn de regels in verzet?
4. Verzet gaat over de vraag of de rechtbank ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens de kennelijke uitkomst van - in dit geval - het beroep van opposant tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in verzet beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposant op zitting te horen. Indien in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in geval van een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, moet worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. Zo ja, dan moet de rechter het verzet gegrond verklaren zodat nader onderzoek kan plaatsvinden. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak dus pas toe als het verzet gegrond is.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat in de uitspraak van 21 oktober 2025 ten onrechte is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is. Bij uitspraak van 29 januari 2026 heeft deze rechtbank geoordeeld dat de oorspronkelijke beslistermijn
van zes maanden met de ingang van het besluit- en vertrekmoratorium voor Syrië met een
jaar is verlengd. In beginsel geldt dus voor alle asielaanvragen die vóór en tijdens het
moratorium zijn ingediend een beslistermijn van bij elkaar opgeteld achttien maanden. In de
uitspraak van 21 oktober 2025 heeft de rechtbank een andere beslistermijn gehanteerd. Het verzet is daarom gegrond. Aan de andere verzetsgronden kom de rechtbank niet toe. De rechtbank zal daarom ook pas in beroep onder meer beoordelen of het besluit- en vertrekmoratorium terecht op de zaak van opposant is toegepast.
Conclusie en gevolgen
6. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 21 oktober 2025 vervalt
en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand van zaken waarin dat zich bevond voordat
die uitspraak werd gedaan.
De rechtbank veroordeelt de minister in de door opposant gemaakte proceskosten.
Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskostenbestuursrecht voor de
door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (0,5 punt voor het
indienen van het verzetschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Als aan opposant een toevoeging is verleend, moet de proceskostenvergoeding worden
betaald aan de rechtsbijstandverlener.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het verzet gegrond;
-
verklaart de uitspraak van 21 oktober 2025 vervallen;
-
veroordeelt de minister in de proceskosten van opposant tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: