Vreemdelingenrecht

Bewaring – 59,1,a – omzetting – grondslag (te vroeg) – gronden – lichter middel – gestelde medische situatie…

Rechtbank Den Haag, 20 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 20 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Zwolle
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Datum publicatie
21 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.59945
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:30917
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Bewaring – 59,1,a – omzetting – grondslag (te vroeg) – gronden – lichter middel – gestelde medische situatie eiser ten tijde van het gehoor.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.59945


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. A.J. de Boer),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. D. Kuiper).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 7 oktober 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

2.1.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

2.2.

Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft zijn gronden van beroep ingediend. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 16 oktober 2026 om 11.25 uur gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Grondslag

3. Eiser stelt dat de maatregel van bewaring op de huidige grondslag te vroeg is opgelegd. De wettelijke grondslag voor de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, van de Vw was nog niet vervallen, omdat de termijn voor het indienen van de correcties en aanvullingen in de asielprocedure nog liep tot en met 7 oktober 2026. Het besluit op de asielaanvraag van 7 oktober 2026 is dan ook een dag te vroeg genomen.

3.1.

De rechtbank volgt eiser hierin niet en overweegt als volgt. Op 7 oktober 2026 is een beslissing genomen op de asielaanvraag van eiser van 22 september 2026. In dat besluit is aan eiser (wederom) de verplichting opgelegd om terug te keren naar Algerije. Het is niet aan de vreemdelingenbewaringsrechter om een oordeel te geven over de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit en daarmee over de vraag of al dan niet terecht (op dat moment) een terugkeerbesluit is uitgereikt. Dat is aan de bestuursrechter die uitspraak doet op een eventueel nog ingesteld beroep tegen het meeromvattende besluit op de asielaanvraag. De rechtbank moet er daarom van uitgaan dat met het in het besluit op de asielaanvraag neergelegde terugkeerbesluit voldaan is aan de voorwaarde dat aan eiser een terugkeerbesluit is uitgereikt. Dat betekent dat de maatregel op grond van artikel 59b van de Vw op het juiste moment is opgeheven en een nieuwe maatregel is opgelegd op de huidige grondslag. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Gronden

4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

4.1.

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;


d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;

j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

4.2.

Eiser betwist grond a, c en d.

4.3.

De rechtbank stelt vast dat de niet betwiste gronden feitelijk juist zijn (toegelicht) en waar nodig ook nader zijn toegelicht en dat deze gronden voldoende zijn om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat een risico op onderduiken aan het toezicht bestaat. De rechtbank beoordeelt daarom de betwiste gronden niet. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Lichter middel

5. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende concreet heeft gemotiveerd waarom een lichter middel niet doeltreffend kan worden toegepast. De bewaringsgronden zijn herhaald en overwogen dat het risico met een lichter middel ‘te groot’ is. Er wordt niet afzonder besproken waarom een meldplicht, een vaste verblijfplaats of andere beschikbaarheidsafspraken niet toereikend zijn. Dit te meer omdat eiser al sinds 10 maart 2026 in vreemdelingenbewaring verblijft, de Algerijnse autoriteiten zijn nationaliteit hebben bevestigd en al eerder een LP voor eiser hebben afgegeven die inmiddels is verlopen. De minister dient concreet toe te lichten welke uitzettingshandelingen nog nodig zijn en waarom de maatregel van bewaring daarvoor noodzakelijk blijft.

5.1.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De minister heeft bij de beoordeling van het lichter middel, onder meer, de gronden en de daarop gegeven toelichting en het gedrag van eiser betrokken. Eiser wil niet terugkeren naar Algerije en is in het verleden meermalen met onbekende bestemming vertrokken. Ook heeft eiser nadat hij op 8 september 2026 de vluchtgegevens heeft gekregen voor 24 september 2026 ervoor gekozen om pas twee dagen voor de geplande uitzetting opnieuw (voor de vierde maal) een asielaanvraag in te dienen. Een lichter middel is gelet op het voorgaande niet geïndiceerd. De handeling die nog nodig is waardoor de maatregel van bewaring noodzakelijk blijft, is de daadwerkelijke verwijdering van eiser naar zijn land van herkomst.
De minister behoeft niet het risico te lopen dat eiser toch (weer) onderduikt en niet verschijnt om te vertrekken met de voor hem geplande vlucht naar Algerije. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Maatregel van bewaring en toestand eiser tijdens gehoor
6. Eiser stelt voorts dat de keuze voor een maatregel van bewaring onvoldoende is gemotiveerd. In de maatregel staat dat eiser tijdens het gehoor ‘geen inhoudelijke medewerking’ verleende en is weggelopen.
Uit het proces-verbaal van gehoor blijkt dat eiser zei zich ziek te voelen en niet te willen praten. Daarom vond het gehoor plaats op de afdelingsvloer nadat personeel had gemeld dat hij ziek was en niet naar beneden wilde komen. De maatregel vermeldt niet dat is onderzocht of zijn toestand het voeren van het gehoor beïnvloedde, noch waarom een korte onderbreking, nader gehoor of medisch onderzoek niet mogelijk was.

6.1.

De rechtbank stelt vast – onder verwijzing naar de uitgebreide toelichting in het proces-verbaal van gehoor – dat eiser de mogelijkheid heeft gehad om (aanvullende) persoonlijke omstandigheden naar voren te brengen voorafgaand aan het opleggen van de huidige maatregel van bewaring. Nu eiser aangaf ziek te zijn, is het gehoor verplaatst van een verhoorkamer naar de gang op de afdeling waar hij verblijft. Eiser begint het gehoor vervolgens door te verklaren dat hij niet wil nadenken over terugkeer naar Algerije en dat hij verder niet wil praten en dat hij zich niet goed voelt. Vervolgens loopt hij naar zijn cel, terwijl hem wordt uitgelegd wat de consequenties van het verlaten van het gehoor zullen zijn. Eiser loopt desondanks door naar zijn cel en maakt derhalve de keuze om niets te willen verklaren, zoals hij ook al aan het begin van het gehoor had aangegeven. De rechtbank ziet in deze gang van zaken geen aanleiding om het gehoor uit te stellen of te verplaatsen naar een ander tijdstip vanwege de omstandigheid dat eiser ‘zich niet lekker zou voelen’. Gesteld noch gebleken is dat eiser medische conditie op het moment van het gehoor dusdanig is (geweest) dat hij niet in staat was te verklaren. Verder is er, bijvoorbeeld, ook geen verklaring of advies overgelegd van de medische dienst van het detentiecentrum waar dat uit blijkt. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Ambtshalve toets

7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.


Conclusie en gevolgen

8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van
D.K. Bloemers, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Volgens de notificatie van de minister is het besluit van 7 oktober 2026 om 02.45 uur. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 30 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT7132. Laissez-passer (LP). Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:148.