Vreemdelingenrecht
Dublin-Letland. De rechtbank vernietigt het besluit en voorziet zelf in de zaak. De minister heeft ten…
Rechtbank Den Haag, 21 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:31077 · Rechtbank Den Haag · 21 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-31077
Zaakgegevens
Op 21 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Datum publicatie
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL26.52744 en NL26.52745
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:31077
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Dublin-Letland. De rechtbank vernietigt het besluit en voorziet zelf in de zaak. De minister heeft ten onrechte geoordeeld dat er geen sprake is van een ‘ernstige ziekte’ in de zin van artikel 16 Dublinverordening en dat er geen sprake is van een afhankelijkheidsrelatie in de zin van artikel 17 Dublinverordening. Het beroep is gegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.52744 (beroep) en NL26.52745 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
proces-verbaal van mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser] , eiser en verzoeker (hierna: eiser),
geboren op [geboortedag] 1996 en van Afghaanse nationaliteit,
(gemachtigde: mr. F. Engelbertink),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. Y. Thole).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank en voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen het overdrachtsbesluit en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
Eiser heeft op 17 januari 2026 in Nederland asiel aangevraagd. Op
20 februari 2026 heeft de minister aan Letland gevraagd om eiser over te nemen op grond van de Dublinverordening, waarna Letland op 20 april 2026 akkoord is gegaan met overdracht. Op dat moment is de overdrachtstermijn gaan lopen. De minister heeft eiser in zijn besluit van 30 april 2026 laten weten dat de asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen.
Eiser is tegen dit besluit in beroep gegaan. Bij uitspraak van 28 juli 2026 heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, het beroep gegrond verklaard.
De minister heeft op 2 september 2026 opnieuw besloten om de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen (het bestreden besluit). Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit en het verzoek om een voorlopige voorziening op 15 oktober 2026 op zitting aan de orde gesteld. Eiser is met voorafgaand bericht niet op de zitting verschenen. Hij is op 13 oktober 2026 in het ziekenhuis geopereerd. Als waarnemer van de gemachtigde van eiser is mr. Y. Yatti verschenen. Ook de gemachtigde van de minister is op de zitting verschenen.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank:
in de zaak NL26.52744:
-
verklaart het beroep gegrond;
-
vernietigt het bestreden besluit van 2 september 2026;
-
draagt de minister op om de asielaanvraag van eiser inhoudelijk in behandeling te nemen;
-
veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
in de zaak NL26.52745:
-
wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
-
veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.
Overwegingen
2. De rechtbank stelt vast dat de minister niet in hoger beroep is gegaan tegen de uitspraak van 28 juli 2026 van de zittingsplaats Haarlem. Deze uitspraak is daarmee in rechte komen vast te staan. In deze uitspraak staat vermeld dat (i) de minister erkent dat er sprake is van een ernstige ziekte zoals bedoeld in artikel 16 van de Dublinverordening; en (ii) dat de rechtbank de minister niet volgt in zijn standpunt dat eiser zijn afhankelijkheid van zijn broer onvoldoende heeft onderbouwd. In haar uitspraak geeft de rechtbank de minister de opdracht om een nieuw besluit te nemen waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.
3. Vervolgens stelt de rechtbank vast dat het besluit van 2 september 2026 gelijk is aan dat van 30 april 2026, met uitzondering van de tekst onder het kopje ‘De uitspraak van 28 juli 2026’. Onder dat kopje stelt de minister dat geen sprake is van een ernstige ziekte in de zin van artikel 16 van de Dublinverordening en dat niet is gebleken van een afhankelijkheidsrelatie van de broer van eiser. Ter zitting heeft de minister toegelicht dat hij een volledige herbeoordeling van het vorige besluit heeft gedaan, omdat de overwegingen in de uitspraak van 28 juli 2026 niet ondubbelzinnig waren en daar de ruimte voor boden.
4. De ruimte voor zo’n herbeoordeling ziet de rechtbank niet. De rechtbank, zittingsplaats Haarlem, is voldoende duidelijk over de ernstige ziekte en de afhankelijkheidsrelatie. De minister heeft destijds op zitting erkend dat er sprake is van een ernstige ziekte en er is geen reden aangedragen om van dat standpunt terug te komen. Ook het oordeel over de afhankelijkheidsrelatie, namelijk dat het standpunt van de minister dat die relatie onvoldoende is onderbouwd geen stand houdt, is voldoende duidelijk en biedt geen ruimte voor een volledige herbeoordeling.
5. De minister had deze twee oordelen uit de uitspraak van 28 juli 2026 in het besluit van 2 september 2026 moeten betrekken. Naar het oordeel van deze rechtbank is dat niet gebeurd. Om die reden is het beroep gegrond.
6. Maar ook als de minister zou worden gevolgd in zijn standpunt dat er ruimte is voor een volledige herbeoordeling, is het besluit onvoldoende gemotiveerd.
7. In het bestreden besluit staat dat er geen ‘ernstige ziekte’ in de zin van artikel 16 Dublinverordening is, omdat de psychische klachten van eiser naar verwachting te verhelpen zijn in zes tot negen maanden. Op de fysieke gezondheid van eiser wordt in het besluit niet ingegaan. Ter zitting heeft de minister toegelicht dat de fysieke gezondheid geen rol speelt bij het vaststellen van een ‘ernstige ziekte’ omdat de perianale abcessen van eiser geen levensbedreigende situatie opleveren. Volgens de rechtbank is dit een onvoldoende motivering, omdat eiser specifiek wijst op zijn herhaalde ziekenhuisopnames en onzekere herstel. Bovendien is in de uitspraak van 28 juli 2026 nog opgenomen dat de minister heeft erkend dat er wel sprake is van een ‘ernstige ziekte’. Uit het besluit noch uit de toelichting op zitting is gebleken waarom daar nu van wordt teruggekomen.
8. De motivering in het bestreden besluit dat er geen sprake is van een afhankelijkheidsrelatie is verder niet wezenlijk anders dan die in het besluit van
30 april 2026. Deze rechtbank komt daarom niet tot een ander oordeel over de afhankelijkheidsrelatie dan in de uitspraak van 28 juli 2026 is opgenomen.
9. Het besluit kan daarom niet in stand blijven en het beroep is gegrond. De overige beroepsgronden hoeven daarom niet meer besproken te worden. Mede gelet op de overdrachtstermijn die op 20 oktober 2026 afloopt, besluit de rechtbank om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank draagt de minister op om de asielaanvraag van eiser in Nederland in behandeling te nemen.
10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigt en zelf in de zaak voorziet is er geen reden meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. Deze wordt daarom afgewezen.
11. Het beroep is gegrond en daarom krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026 door mr. J.H.C. Van der Roest, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J. Wassink, griffier.
Het proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.