Vreemdelingenrecht
AMBV Spanje. Asielaanvragen van voor 12 juni 2026. De verantwoordelijke lidstaat wordt bepaald aan de hand…
Rechtbank Den Haag, 21 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:31081 · Rechtbank Den Haag · 21 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-31081
Zaakgegevens
Op 21 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Datum publicatie
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL26.38309_55109
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:31081
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
AMBV Spanje. Asielaanvragen van voor 12 juni 2026. De verantwoordelijke lidstaat wordt bepaald aan de hand van de in de Dublinverordening neergelegde criteria. Beroep ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.38309, NL26.51109
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer 1], eiser, en
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer 2], eiseres
(gemachtigde: mr. A.P.E.M. Pover),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 2 juli 2026 en 11 september 2026 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvragen.
De rechtbank heeft de beroepen op 8 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister. Eisers zijn niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Dat betekent dat eisers ongelijk krijgen en het niet in behandeling nemen van de aanvragen in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het toepasselijk recht
4. Op 12 juni 2026 is de AMBV in werking getreden. De Afdeling heeft met de verwijzingsuitspraak van 7 oktober 2026 prejudiciële vragen gesteld over de toepassing van het overgangsrecht zoals neergelegd in artikelen 84, tweede lid, en 85 van de AMBV en de in artikel 43, eerste lid, van de AMBV neergelegde beperking van de draagwijdte van het rechtsmiddel.
5. De Afdeling heeft in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen voorlopig geoordeeld dat het rechtszekerheidsbeginsel en het recht op effectieve rechtsbescherming dat is neergelegd in artikel 47 van het EU Handvest, gelet op artikel 84, tweede lid, van de AMBV zich ertegen verzetten dat de procedureregel in artikel 43, eerste lid, van de AMBV onmiddellijke toepassing vindt in procedures waarin het verzoek om internationale bescherming voor 12 juni 2026 is geregistreerd en de minister de verantwoordelijke lidstaat dus heeft bepaald aan de hand van de in de Dublinverordening neergelegde criteria. De Afdeling vat dit begrip ‘criteria’ ruim op in die zin dat daaronder niet alleen de materiële criteria voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat uit hoofdstuk III van de Dublinverordening in het geval van overname vallen, maar ook de bepalingen over terugname en de discretionaire en procedurele bepalingen, zoals de artikelen 17 en 29 van de Dublinverordening.
6. Eisers hebben op 4 en 5 april 2026 asielaanvragen ingediend. Nu de verzoeken om internationale bescherming dateren van vóór 12 juni 2026 ziet de rechtbank aanleiding om, overeenkomstig het voorlopige oordeel van de Afdeling, de verantwoordelijke lidstaat te bepalen aan de hand van de in de Dublinverordening neergelegde criteria en ten aanzien van de draagwijdte van het beroep te bepalen dat ook artikel 17 van de Dublinverordening valt onder deze criteria.
Totstandkoming van het besluit
7. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
De verantwoordelijke lidstaat
8. In dit geval zijn eisers op 10 december 2025 via Spanje illegaal het Dublin gebied ingereisd. Eisers hebben binnen 12 maanden na de illegale inreis de asielaanvragen ingediend in Nederland. De minister heeft aan de bestreden besluiten ten grondslag gelegd dat Nederland daarom op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening bij Spanje verzoeken om overname heeft gedaan. Spanje heeft deze verzoeken aanvaard.
De zorgvuldigheid van de bestreden besluiten
9. Eisers voeren aan dat het besluit van eiseres geen zorgvuldige weergave van de procedure bevat, omdat daarin staat dat zij haar bezwaren heeft toegelicht, terwijl zij geen bezwaren heeft ingediend.
10. De rechtbank is van oordeel dat de weergave van de procedure, zoals opgenomen in het besluit van eiseres, niet leidt tot de conclusie dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid. De minister heeft in de procedure van eiseres geen voornemen uitgebracht en eiseres is daarom ook niet in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen. Eiseres is echter wel bij het aanmeldgehoor in de gelegenheid gesteld om haar bezwaren tegen een overdracht aan Spanje kenbaar te maken. Dat de tekst in het besluit daarop niet is aangepast is weliswaar onnauwkeurig maar maakt het besluit nog niet onzorgvuldig. De beroepsgrond slaagt niet.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel
11. Eisers voeren aan dat uit het AIDA-rapport (update 2025) van april 2026 volgt dat de opvang van asielzoekers en Dublin-terugkeerders in Spanje tekortschiet. Eisers zullen in Spanje niet automatisch terugkeren in het reguliere opvangsysteem omdat zij hun asielprocedure moeten reactiveren. In de tussentijd hebben eisers geen recht op opvang. Volgens eiser staan de Spaanse autoriteiten onverschillig tegenover asielzoekers. De minister had moeten nagaan of eisers daadwerkelijk opvang en bescherming zullen krijgen in Spanje. De minister had bij het besluit reeds moeten beoordelen of bij overdracht aan Spanje sprake is van een veiligheidsrisico. Verder voeren eisers aan dat ten aanzien van het besluit van eiseres onduidelijk is op welke grond Spanje het overnameverzoek heeft aanvaard nu ook het claimverzoek, de bewijsstukken en het claimakkoord niet concreet zijn uitgewerkt.
12. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van Spanje mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat de minister er in beginsel op mag vertrouwen dat Spanje zijn internationale verplichtingen uit het Unierecht en de mensenrechtenverdragen zal nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eisers aannemelijk maken, of de rechtbank ambtshalve vaststelt, dat het asiel- en opvangsysteem in Spanje dusdanige tekortkomingen vertoont dat zij bij overdracht aan Spanje een reëel risico lopen op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Van een dergelijke schending is pas sprake als de geconstateerde tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken in de zin van het arrest Jawo.
13. De rechtbank is van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat in Spanje sprake is van structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem die ertoe leiden dat zij bij terugkeer een reëel risico lopen op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. De Afdeling heeft op 16 maart 2026 geoordeeld dat ten aanzien van Spanje nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Er zijn volgens de Afdeling geen structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen in Spanje. Wat eisers hebben aangevoerd, geeft geen aanleiding om van de hiervoor genoemde Afdelingsjurisprudentie af te wijken. De rechtbank is van oordeel dat het AIDA-rapport (update 2025) van april 2026 geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie in Spanje dan reeds is betrokken door de Afdeling. Bovendien hebben eisers in Spanje niet eerder een asielaanvraag ingediend dus kan geen sprake zijn van de situatie dat zij hun asielaanvraag opnieuw zouden moeten ‘reactiveren’. Eisers hebben geen persoonlijke ervaring met de Spaanse asielprocedure en opvangvoorzieningen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om in het geval van eisers af te wijken van de bewijslastverdeling in Dublinzaken en te concluderen dat de minister zelfstandig onderzoek had moeten verrichten naar de voorzieningen of veiligheidsrisico’s in Spanje. Verder hebben de Spaanse autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd dat het verzoek van eisers om internationale bescherming in behandeling wordt genomen. Ten aanzien van de verklaring dat eisers vrezen voor smokkelaars in Spanje aan wie zij nog geld schuldig zijn, heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij niet om bescherming kunnen vragen bij de Spaanse autoriteiten. Van eisers mag worden verwacht dat zij bij voorkomende problemen in de Spaanse asielprocedure, opvangvoorzieningen, of anderszins klagen bij de (hogere) Spaanse autoriteiten. Zo kunnen zij om hulp vragen voor problemen met de taal. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor hen niet is of dat de Spaanse autoriteiten hen niet kunnen of willen helpen. Zo zover eisers ten aanzien van het besluit van eiseres nog hebben aangevoerd dat de grondslag van het claimverzoek en -akkoord niet duidelijk is, wijst de rechtbank op de bestreden besluiten, overweging 8 van deze uitspraak de toelichting van de minister ter zitting waaruit duidelijk naar voren komt waaruit die grondslag blijkt. De beroepsgrond slaagt niet.
Toepassing van de discretionaire bevoegdheid
14. Eisers hebben in het kader van de discretionaire bevoegdheid van de minister aangevoerd dat hun individuele omstandigheden bij overdracht aan Spanje leiden tot onevenredige hardheid. Volgens eisers heeft de minister hun verklaringen over de bedreigingen vanuit de smokkelaars in Spanje en de taalbarrière die zij daar zullen ondervinden onvoldoende betrokken.
15. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening heeft de minister
een discretionaire bevoegdheid om een asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken. De
minister maakt van deze bevoegdheid gebruik als sprake is van bijzondere, individuele
omstandigheden die maken dat overdracht van onevenredige hardheid getuigt. Het is aan
eisers om dergelijke omstandigheden aannemelijk te maken.
16. De rechtbank is van oordeel dat eisers individuele omstandigheden niet maken dat
overdracht aan Spanje onevenredig moet worden geacht. De minister heeft de vrees die eisers stellen te hebben voor smokkelaars in Spanje en de taalbarrière reeds betrokken bij de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en deze omstandigheden kunnen daarom niet nogmaals een rol spelen in het kader van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eisers hebben verder geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die overdracht naar Spanje onevenredig hard maken. De minister heeft dan ook in redelijkheid kunnen beslissen dat er geen aanleiding is om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
Conclusie en gevolgen
17. De beroepen zijn ongegrond. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, rechter, in aanwezigheid van
mr. C.L.M. Celie, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.