Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:13472

Op 20 May 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.13942, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:13472. De plaats van zitting was Arnhem.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.13942
Datum uitspraak:
20 May 2026
Datum publicatie:
25 May 2026

Indicatie

Asiel; Dublin Spanje; interstatelijk vertrouwensbeginsel (opvangvoorzieningen); artikel 17 Dublinverordening; ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.13942

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A. de Haan),

en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag in stand kan blijven, omdat de minister voor Spanje mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en de minister geen toepassing had hoeven geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Procesverloop

2. Eiser heeft op 10 november 2025 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 11 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.

2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL26.13943, op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. (Voetnoot 1) In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dat verzoek geaccepteerd.

Mag de minister voor Spanje uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?

4. Eiser betoogt dat de minister voor Spanje niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat in de Spaanse opvangvoorzieningen sprake is van structurele tekortkomingen en vreemdelingen van het kastje naar de muur worden gestuurd. (Voetnoot 2) Dat geldt ook voor Dublinclaimanten, omdat ook zij van opvang verstoken blijven – zelfs als zij inspanningen verrichten om deze opvang te verkrijgen. (Voetnoot 3) Gecombineerd met het feit dat de Europese Commissie vanwege deze problemen een inbreukprocedure tegen Spanje is gestart, bestaat volgens eiser voldoende reden om aan het interstatelijk vertrouwen in Spanje te twijfelen. Van eiser mag niet worden verwacht dat hij, zo nodig, over de opvangvoorzieningen klaagt bij de Spaanse autoriteiten. Eiser stelt dat dit zinloos is en bovendien valt volgens hem, gelet op het jarenlange karakter van de problemen, niet te verwachten dat de opvang in Spanje zal verbeteren.

4.1.

Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat hij voor Spanje mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hoewel uit de door eiser aangehaalde AIDA-rapporten blijkt van problemen in de Spaanse opvangvoorzieningen, wijst de minister er terecht op dat deze problematiek volgens vaste rechtspraak niet leidt tot de conclusie dat voor Spanje niet langer mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. (Voetnoot 4) Dat geldt ook voor de ‘key decisions’ van de Europese Commissie en het feit dat zij een inbreukprocedure tegen Spanje is gestart. (Voetnoot 5) In de enkele verwijzing van eiser naar het jarenlange karakter van de Spaanse opvangproblematiek ziet de rechtbank geen reden voor een andere conclusie. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van zittingsplaats Groningen van deze rechtbank van 9 april 2024 leidt ook niet tot een ander oordeel. De rechtbank kwam in die uitspraak immers – op basis van dezelfde landeninformatie als door eiser aangehaald – tot het oordeel dat de minister voor Spanje mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank heeft in die zaak (slechts) op grond van de individuele situatie van de betrokken vreemdeling geoordeeld dat de minister het beroep op artikel 17 van de Dublinverordening onvoldoende had gemotiveerd. Omdat die vreemdeling al eens eerder als Dublinclaimant aan Spanje was overgedragen (en eiser niet), is de situatie van die vreemdeling ook niet vergelijkbaar met die van eiser. Gelet op het voorgaande mag de minister ook van eiser verwachten dat hij bij voorkomende problemen klaagt bij de Spaanse autoriteiten. Dat dit – mede gelet op het jarenlange karakter van de problematiek in de Spaanse opvangvoorzieningen – op voorhand zinloos is, heeft eiser niet onderbouwd.

Had de minister toepassing moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening?

5. Eiser heeft op zitting betoogd dat de minister toepassing had moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Ter onderbouwing heeft eiser verwezen naar wat hij hiervoor, in het kader van zijn beroepsgrond over het interstatelijk vertrouwensbeginsel, heeft aangevoerd.

5.1.

Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat hij geen toepassing had hoeven geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Nog daargelaten dat de minister er niet ten onrechte op wijst dat eiser zijn betoog met de enkele verwijzing naar zijn eerdere beroepsgrond over het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet heeft geïndividualiseerd, volgt uit vaste rechtspraak dat de minister omstandigheden die hij in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in de besluitvorming heeft betrokken niet nogmaals hoeft te betrekken in het kader van een beroep op artikel 17 van de Dublinverordening. (Voetnoot 6) Het betoog van eiser kan daarom niet leiden tot het oordeel dat de minister toepassing had moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag in stand blijft. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000.

Voetnoot 2

Eiser wijst ter onderbouwing op de AIDA-updaterapporten over Spanje over de jaren 2021 (gepubliceerd in april 2022, p. 102 en 203), 2022 (gepubliceerd in april 2023, p. 106-115), 2023 (gepubliceerd in mei 2024, p.111-121) en 2024 (gepubliceerd in april 2025), en de ‘key decisions’ van de Europese Commissie van 26 januari 2023.

Voetnoot 3

Eiser wijst op Rb. Den Haag (zp Groningen) 9 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4989.

Voetnoot 4

Zie onder meer ABRvS 25 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5661, r.o. 1 en ABRvS 24 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2548, r.o. 1.

Voetnoot 5

Zie bijvoorbeeld Rb. Den Haag (zp Arnhem) 14 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2355, r.o. 8.2; Rb. Den Haag (zp Arnhem) 21 februari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:2158, r.o. 6.2.

Voetnoot 6

Vergelijk ABRvS 16 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1431, r.o. 4.4; ABRvS 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717, r.o. 7.