Vreemdelingenrecht
AMBV Spanje. Asielaanvragen van voor 12 juni 2026. De verantwoordelijke lidstaat wordt bepaald aan de hand…
Rechtbank Den Haag, 21 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:31083 · Rechtbank Den Haag · 21 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-31083
Zaakgegevens
Op 21 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Datum publicatie
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL26.51922_51925
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:31083
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
AMBV Spanje. Asielaanvragen van voor 12 juni 2026. De verantwoordelijke lidstaat wordt bepaald aan de hand van de in de Dublinverordening neergelegde criteria. Belang van de kinderen. Beroep ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.51922, NL26.51925
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer 1], eiseres,
[eiser] , V-nummer: [V-nummer 2], eiser,
mede namens hun minderjarige kinderen,
[kind 1], [kind 2], [kind 3] en [kind 4]
(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 4 september 2026 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvragen.
De rechtbank heeft de beroepen op 8 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, M. Bourik als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Dat betekent dat eisers ongelijk krijgen en het niet in behandeling nemen van hun aanvragen in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het toepasselijk recht
Op 12 juni 2026 is de AMBV in werking getreden. De Afdeling heeft met de verwijzingsuitspraak van 7 oktober 2026 prejudiciële vragen gesteld over de toepassing van het overgangsrecht zoals neergelegd in artikelen 84, tweede lid, en 85 van de AMBV en de in artikel 43, eerste lid, van de AMBV neergelegde beperking van de draagwijdte van het rechtsmiddel.
4. De Afdeling heeft in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen voorlopig geoordeeld dat het rechtszekerheidsbeginsel en het recht op effectieve rechtsbescherming dat is neergelegd in artikel 47 van het EU Handvest, gelet op artikel 84, tweede lid, van de AMBV zich ertegen verzetten dat de procedureregel in artikel 43, eerste lid, van de AMBV onmiddellijke toepassing vindt in procedures waarin het verzoek om internationale bescherming voor 12 juni 2026 is geregistreerd en de minister de verantwoordelijke lidstaat dus heeft bepaald aan de hand van de in de Dublinverordening neergelegde criteria. De Afdeling vat dit begrip ‘criteria’ ruim op in die zin dat daaronder niet alleen de materiële criteria voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat uit hoofdstuk III van de Dublinverordening in het geval van overname vallen, maar ook de bepalingen over terugname en de discretionaire en procedurele bepalingen, zoals de artikelen 17 en 29 van de Dublinverordening.
5. Eisers hebben op 13 mei 2026 asielaanvragen ingediend. Nu de verzoeken om internationale bescherming dateren van vóór 12 juni 2026 ziet de rechtbank aanleiding om, overeenkomstig het voorlopige oordeel van de Afdeling, de verantwoordelijke lidstaat te bepalen aan de hand van de in de Dublinverordening neergelegde criteria en ten aanzien van de draagwijdte van het beroep te bepalen dat ook artikel 17 van de Dublinverordening valt onder deze criteria.
Totstandkoming van het besluit
6. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om overname gedaan op grond van artikel 12, tweede lid van de Dublinverordening. Spanje heeft dit verzoek, onder die grondslag, aanvaard.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel
7. Eisers voeren aan dat zij niet veilig zijn in Spanje. Ze hebben via een kerk in Pakistan een dreigbrief ontvangen waarin staat dat zij door de Pakistaanse gemeenschap in Spanje worden gezocht en zullen worden gedood. De minister heeft dit ten onrechte niet betrokken in het bestreden besluit. De stelling van de minister dat eisers zich in Spanje tot de autoriteiten kunnen wenden, vinden eisers niet toereikend omdat die bescherming te laat zal komen en de Spaanse autoriteten dit niet tegen kunnen houden.
8. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van Spanje mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat de minister er in beginsel op mag vertrouwen dat Spanje zijn internationale verplichtingen uit het Unierecht en de mensenrechtenverdragen zal nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eisers aannemelijk maken, of de rechtbank ambtshalve vaststelt, dat het asiel- en opvangsysteem in Spanje dusdanige tekortkomingen vertoont dat zij bij overdracht aan Spanje een reëel risico lopen op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Van een dergelijke schending is pas sprake als de geconstateerde tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken in de zin van het arrest Jawo.
9. De rechtbank is van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat in Spanje sprake is van structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem die ertoe leiden dat zij bij terugkeer een reëel risico lopen op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. De Afdeling heeft op 16 maart 2026 geoordeeld dat ten aanzien van Spanje nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Er zijn volgens de Afdeling geen structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen in Spanje. Wat eisers hebben aangevoerd, geeft geen aanleiding om van de hiervoor genoemde Afdelingsjurisprudentie af te wijken. Eisers hebben geen algemene informatie overgelegd over de situatie in Spanje. Bovendien zijn eisers niet eerder in Spanje geweest en hebben zij dus geen persoonlijke ervaringen opgedaan met de Spaanse asielprocedure en opvangvoorzieningen. Verder hebben de Spaanse autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd dat het verzoek van eisers om internationale bescherming in behandeling wordt genomen. Ten aanzien van de beroepsgrond dat eisers vrezen voor bedreigingen vanuit de Pakistaanse moslimgemeenschap in Spanje, van wie zij een dreigbrief hebben ontvangen, heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij niet om bescherming kunnen vragen bij de Spaanse autoriteiten. Dat zij in Spanje niet (tijdig) geholpen zullen worden berust enkel op een aanname. De enkele omstandigheid dat de Pakistaanse gemeenschap in Spanje groter is dan die in Nederland maakt de dreiging niet zwaarder en onderbouwt niet dat eisers in Spanje niet om bescherming kunnen vragen. Van eisers mag worden verwacht dat zij bij voorkomende problemen in de Spaanse asielprocedure, opvangvoorzieningen, of anderszins klagen bij de (hogere) Spaanse autoriteiten. Eisers hebben dus niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor hen niet is of dat de Spaanse autoriteiten hen niet kunnen of willen helpen. De beroepsgrond slaagt niet.
10. De rechtbank is verder van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat het gezin als bijzonder kwetsbaar moet worden aangemerkt zoals bedoeld in het arrest Tarakhel. Dat eiseres psychische klachten ervaart vanwege haar vrees voor een overdracht naar Spanje en daarvoor gesprekken voert met GZA acht de rechtbank hiervoor onvoldoende. Indien nodig kan eiseres haar medische behandeling voortzetten in Spanje. Daar komt bij dat eisers ook overigens niet hebben onderbouwd dat zij zonder aanvullende garanties bij overdracht naar Spanje een risico zouden lopen op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. De minister heeft gelet hierop geen aanvullende garanties voor eisers aan Spanje hoeven vragen. De beroepsgrond slaagt niet.
11. Eisers hebben verder nog ter zitting naar voren gebracht dat een overdracht aan Spanje vanwege de medische klachten van eiseres leidt tot onomkeerbare gezondheidsklachten. De rechtbank is echter van oordeel dat in het dossier geen objectieve gegevens staan die wijzen op een situatie als bedoeld in het arrest C.K.. Het GZA-journaal, waaruit volgt dat eiseres gesprekken voert bij de huisarts, acht de rechtbank daarvoor onvoldoende. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden de medische voorzieningen in Spanje geacht van voldoende kwaliteit te zijn en mag ook worden aangenomen dat deze voorzieningen ter beschikking staan aan Dublinclaimanten. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de minister gehouden was meer onderzoek te verrichten door een BMA-advies aan te vragen. De beroepsgrond slaagt niet.
Het belang van de kinderen
12. Eisers voeren aan dat het belang van de kinderen onvoldoende is meegewogen. De kinderen en het gezin zijn goed geïntegreerd in Nederland en gaan hier naar school, hebben een sociaal netwerk, doen aan sport en zijn betrokken bij de kerk. Ten onrechte zijn [kind 2], [kind 3] en [kind 4] niet alsnog gehoord nadat zij bij de zienswijze kenbaar hebben gemaakt dat zij een persoonlijk onderhoud wensen. Een overdracht naar Spanje zou voor de kinderen ingrijpend zijn en een negatief effect hebben op hun ontwikkeling. Volgens eisers heeft de minister dit belang onvoldoende betrokken en onvoldoende onderbouwd waarom overdracht toch in hun belang zou zijn.
13. De Afdeling heeft met de uitspraken van 20 augustus 2025 geoordeeld dat uit
artikel 24, tweede lid, van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid en
artikel 12 van het IVRK, volgt dat de minister begeleide minderjarige kinderen die in staat
zijn hun mening te vormen, binnen de Dublinprocedure in de gelegenheid moet stellen hun
mening vrijelijk te uiten in alle gelegenheden die hen betreffen. Aan de mening van het kind
moet dan een passend belang worden gehecht in overeenstemming met de leeftijd en
rijpheid van het kind. De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft voldaan aan de
voorgenoemde verplichting. De minister heeft bij het aanmeldgehoor van eiseres gewezen op de mogelijkheid om haar minderjarige kinderen zelf te laten verklaren over een mogelijke terugkeer naar Spanje of dingen die voor hen belangrijk zijn. Eiseres heeft daarop aangegeven dat de kinderen zich bij eisers aansluiten. Hierna is [kind 1] alsnog gehoord. De drie jongste kinderen zijn niet gehoord. Pas met de zienswijze hebben eisers kenbaar gemaakt dat de jongste drie kinderen alsnog willen verklaren over de veiligheidssituatie in Spanje en de negatieve weerslag op hun ontwikkeling bij een overdracht naar Spanje. De rechtbank volgt de minister in diens stelling dat de jongste drie kinderen niet alsnog hadden moeten worden gehoord. Eisers hebben het aanbod om alle kinderen te horen afgeslagen. In beroep hebben [kind 2] en [kind 4] alsnog verklaard. Zij hebben aangegeven dat zij angst ervaren voor een overdracht naar Spanje vanwege de onveilige en onzekere situatie aldaar en dat zij zich in Nederland veilig voelen. De rechtbank is van oordeel dat eisers deze omstandigheden reeds duidelijk hadden gemaakt en dat het horen van de kinderen ook daarom niet nodig was.
14. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de minister geen aanleiding heeft hoeven zien voor de conclusie dat het in het belang van de kinderen is om de asielaanvragen in Nederland te behandelen. De rechtbank acht het begrijpelijk dat de kinderen graag in Nederland willen blijven en niet willen doorreizen naar Spanje. De minister heeft zich echter niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de kinderen er belang bij hebben om als gezin bij elkaar te blijven en zo snel mogelijk in de verantwoordelijke lidstaat terecht te komen. Verder is niet gebleken dat overdracht betekent dat het welzijn en de sociale ontwikkeling van de kinderen zullen verslechteren. Niet is gebleken dat hetgeen zij in Nederland hebben opgebouwd in de 5 maanden zij dat in Nederland verblijven, niet opnieuw kunnen opbouwen in Spanje. Zo kunnen zij ook in Spanje naar school, sport beoefenen en naar de kerk. De beroepsgrond slaagt niet.
Toepassing van de discretionaire bevoegdheid
15. Ter zitting heeft eiseres nog aangevoerd dat een overdracht naar Spanje leidt tot onevenredige hardheid vanwege de kwetsbaarheid van het gezin en de medische klachten van eiseres die samenhangen met de vrees voor een overdracht aan Spanje.
16. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening heeft de minister
een discretionaire bevoegdheid om een asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken. De
minister maakt van deze bevoegdheid gebruik als sprake is van bijzondere, individuele
omstandigheden die maken dat overdracht van onevenredige hardheid getuigt. Het is aan
eisers om dergelijke omstandigheden aannemelijk te maken.
17. De rechtbank is van oordeel dat eisers individuele omstandigheden niet maken dat
overdracht aan Spanje onevenredig moet worden geacht. De minister heeft de angst die eisers stellen te hebben vanwege bedreigingen vanuit de Pakistaanse gemeenschap in Spanje en de medische klachten van eiseres reeds betrokken bij de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en deze omstandigheden kunnen daarom niet nogmaals een rol spelen in het kader van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eisers hebben verder geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die overdracht naar Spanje onevenredig hard maken. De minister heeft dan ook in redelijkheid kunnen beslissen dat er geen aanleiding is om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
Conclusie en gevolgen
18. De beroepen zijn ongegrond. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, rechter, in aanwezigheid van
mr. C.L.M. Celie, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.