Vreemdelingenrecht
Amb-verordening; buiten zitting; Duitsland; overgangsrecht, art. 43 van de Amb-verordening; reëel risico op…
Rechtbank Den Haag, 6 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:31479 · Rechtbank Den Haag · 6 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-31479
Zaakgegevens
Op 6 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2026
- Datum publicatie
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL26.42270
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:31479
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Amb-verordening; buiten zitting; Duitsland; overgangsrecht, art. 43 van de Amb-verordening; reëel risico op een behandeling in strijd met art. 4 van het EU Handvest, arrest Jawo, interstatelijk vertrouwensbeginsel; beroep ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.42270
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Demirtas),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. De minister heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 7 mei 2026 een asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 (Vw 2000) ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 27 juli 2026 deze aanvraag niet in behandeling genomen.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Welk recht is van toepassing?
3. Eiser betoogt dat, omdat zijn asielaanvraag op 7 mei 2026 is ingediend, op grond van artikel 84, tweede lid, van de Amb-verordening de criteria van de Dublinverordening moeten worden toegepast. Volgens eiser heeft de minister ten onrechte de verantwoordelijkheid van Duitsland gebaseerd op artikel 13 van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 en zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat zijn asielprocedure vanaf 12 juni 2026 onder de Amb-verordening valt. Eiser stelt dat het bestreden besluit daarom op een onjuiste grondslag berust en dat de minister de verantwoordelijkheid opnieuw aan de hand van de Dublinverordening moet beoordelen. Tot slot voert eiser aan dat artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening niet van toepassing is, zodat de rechtbank het overdrachtsbesluit volledig moet kunnen toetsen.
De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Ten tijde van het indienen van de asielaanvraag van eiser was die regelgeving neergelegd in de Dublinverordening. Met ingang van 12 juni 2026 is de Dublinverordening ingetrokken en is de Asiel- en migratiebeheerverordening (Amb-verordening) van toepassing geworden. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat nieuw recht in beginsel onmiddellijke werking heeft en in beginsel ook van toepassing is op alle lopende procedures. Dit ligt slechts anders, wanneer de nieuwe regel gepaard gaat met bijzondere overgangsbepalingen of wanneer het stadium waarin de betreffende procedure zich bevindt daartoe aanleiding geeft. In artikel 84 van de Amb-verordening zijn overgangsbepalingen opgenomen. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat voor verzoeken die vóór 12 juni 2026 zijn geregistreerd, zoals het verzoek van eiser, de verantwoordelijke lidstaat wordt aangewezen aan de hand van de criteria van de Dublinverordening. Deze overgangsbepaling ziet dus uitsluitend op de aanwijzing van de verantwoordelijke lidstaat aan de hand van de verantwoordelijkheidscriteria. Voor het overige is vanaf 12 juni 2026 de Amb-verordening van toepassing. Op grond van de Amb-verordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Anders dan eiser stelt, is artikel 84, tweede lid, van de Amb-verordening in dit geval niet van toepassing. Deze bepaling ziet op de situatie waarin aan de hand van de verantwoordelijkheidscriteria moet worden vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming. De rechtbank neemt aan dat hiermee wordt gedoeld op de verantwoordelijkheidscriteria uit hoofdstuk III van de Dublinverordening. Het gaat daarbij om overnamesituaties. Die situatie doet zich hier niet voor. De minister heeft immers geen overnameverzoek gedaan, maar een terugnamekennisgeving verzonden, die Duitsland heeft bevestigd. De verantwoordelijkheid van Duitsland vloeit daarmee niet voort uit de toepassing van de verantwoordelijkheidscriteria waarop artikel 84, tweede lid, van de Amb-verordening betrekking heeft. Het overgangsrecht brengt daarom niet mee dat de Dublinverordening op de procedure van eiser van toepassing is.
Uit het bestreden besluit volgt dat eiser vóór zijn asielaanvraag in Nederland ook in Italië, Frankrijk en Duitsland asiel heeft aangevraagd en dat de minister de daarbij behorende Eurodac-registraties heeft betrokken. De minister heeft op 7 juli 2026 een terugnamekennisgeving aan (onder meer) Duitsland verzonden, waarna Duitsland op 9 juli 2026 de ontvangst en de verplichting tot terugname heeft bevestigd. Daarmee staat de verantwoordelijkheid van Duitsland vast. De verwijzing van de minister naar artikel 13 van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/2055 leidt niet tot een ander oordeel. Dat artikel bevat voorschriften over de inhoud van een terugnamekennisgeving in de daarin bedoelde situatie en vormt niet de grondslag voor de inhoudelijke verantwoordelijkheidstoedeling. De enkele omstandigheid dat de minister deze bepaling in het bestreden besluit heeft genoemd in het kader van de terugnamekennisgeving, betekent dan ook niet dat de verantwoordelijkheid van Duitsland aan de hand van de nieuwe verantwoordelijkheidscriteria van de Amb-verordening is vastgesteld.
Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank bij de beoordeling van het beroep daarom uit van artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening. Deze bepaling beperkt de draagwijdte van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit tot de beoordeling van de daarin genoemde omstandigheden, namelijk of:
a. de overdracht voor de betrokken persoon een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zou inhouden in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;
b. sprake is van omstandigheden na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van de Amb-verordening; of
c. inbreuk is gemaakt op de artikelen 25 tot en met 28 en artikel 34, in het geval van op grond van artikel 36, eerste lid, onder a, overgenomen personen. De beroepsgrond slaagt niet.
Loopt eiser in Duitsland een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 4 van het EU Handvest?
4. Eiser betoogt dat overdracht aan Duitsland in strijd is met artikel 4 van het Handvest. Hij wijst daarbij op het arrest Jawo van het Hof van Justitie en op informatie uit het AIDA-rapport over Duitsland van 16 juni 2025, waaruit volgens hem volgt dat geen uniforme procedure bestaat voor de opvang en verdere behandeling van overgedragen asielzoekers. Ook wijst eiser erop dat de bezetting van Duitse opvangcentra voor overgedragen asielzoekers begin en medio 2025 laag was, wat volgens hem wijst op praktische en procedurele problemen bij overdrachten. Volgens eiser had de minister deze informatie bij zijn beoordeling moeten betrekken en heeft hij onvoldoende gemotiveerd waarom de overdracht niet leidt tot een reëel risico op een met artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling.
De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van een overdracht aan een andere lidstaat in beginsel mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat betekent dat ervan mag worden uitgegaan dat de andere lidstaat de verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen naleeft, tenzij de vreemdeling met concrete feiten en omstandigheden aannemelijk maakt dat in die lidstaat sprake is van systeemgerelateerde tekortkomingen die een reëel risico opleveren op een behandeling die in strijd is met artikel 4 van het Handvest. Uit het arrest Jawo volgt dat sprake moet zijn van een bijzonder hoge drempel van ernst. Hiervan is sprake als de onverschilligheid ten aanzien van de persoon, ongeacht diens wil en persoonlijke keuzes, ertoe leidt dat een persoon die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn wil en persoonlijke keuzes om terechtkomt in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie. In zo’n situatie kan hij niet meer voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, zich wassen en een plaats om te wonen.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat voor Duitsland, ook in de individuele situatie van eiser, mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), heeft dit meermaals bevestigd, onder meer in de uitspraken van 8 november 2023, 11 september 2024 en 14 februari 2025.. Daarbij stelt de minister zich terecht op het standpunt dat Duitsland zich houdt aan de binnen de Europese Unie geldende regelgeving voor de behandeling van asielaanvragen en het verstrekken van opvang. De door eiser aangehaalde informatie uit het AIDA-rapport leidt niet tot het oordeel dat de minister niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mocht uitgaan. Uit het AIDA-rapport volgt weliswaar dat in Duitsland de opvang en verdere afhandeling van overgedragen vreemdelingen per deelstaat kan verschillen, maar die omstandigheid is op zichzelf onvoldoende. Dat er geen landelijk uniforme procedure bestaat, betekent immers niet dat een vreemdeling bij overdracht een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest. Eiser heeft niet toegelicht waarom de door hem genoemde omstandigheden tot de in het arrest Jawo bedoelde bijzonder hoge drempel van ernst leiden. Hetzelfde geldt voor de door eiser genoemde lage bezetting van Duitse opvangcentra. Voor zover daaruit al kan worden afgeleid dat zich in Duitsland praktische of procedurele problemen voordoen bij overdrachten van asielzoekers, heeft eiser daarmee niet aannemelijk gemaakt dat deze problemen structurele tekortkomingen opleveren die tot gevolg hebben dat hij na overdracht buiten zijn wil en persoonlijke keuzes om in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomt. De enkele verwijzing naar algemene informatie over de uitvoering van overdrachten van asielzoekers is daarvoor onvoldoende. Daarbij is van belang dat Duitsland het terugnameverzoek van de minister op 9 juli 2026 heeft bevestigd. De minister heeft zich in het bestreden besluit dan ook terecht op het standpunt gesteld dat Duitsland eiser zal terugnemen en zijn asielaanvraag in behandeling zal nemen. Eiser heeft geen concrete persoonlijke omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat juist hij bij terugkeer naar Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het EU Handvest. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Habibi, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.