Vreemdelingenrecht

opvolgende asielaanvraag, toegedichte afvalligheid, bekering tot het zoroastrisme, medische situatie, ongegrond.

Rechtbank Den Haag, 7 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 7 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
7 oktober 2026
Datum publicatie
26 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.21760
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:31500
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

opvolgende asielaanvraag, toegedichte afvalligheid, bekering tot het zoroastrisme, medische situatie, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.21760


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [x] , eiser

(gemachtigde: mr. K. Taha),

en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft namelijk het asielrelaas van eiser terecht ongeloofwaardig geacht. Daarnaast heeft de minister terecht gesteld dat eiser geen reëel risico op ernstige schade loopt vanwege een toegedichte afvalligheid van de islam of zijn bekering tot het zoroastrisme. Daarom mocht de minister de opvolgende aanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

1.2.

Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.

Procesverloop

2. Eiser heeft een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 14 april 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.

2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 9 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding

3. Eiser heeft eerder, in 2021, asiel aangevraagd. Aan deze asielaanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij zich heeft afgewend van de islam en zich, na een korte tussenperiode, heeft bekeerd tot het zoroastrisme. Eiser heeft verklaard dat hij vooral vreest voor zijn vader omdat zijn vader een strenggelovige islamitische man is.

3.1.

De minister heeft deze aanvraag afgewezen bij besluit van 3 maart 2023. De minister heeft daarbij de afwending van de islam en de bekering tot het zoroastrisme niet geloofwaardig geacht. Het beroep van eiser tegen dit besluit is ongegrond verklaard bij uitspraak van 16 november 2023. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig heeft mogen vinden. Met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 januari 2024 is de uitspraak van de rechtbank in rechte vast komen te staan.

3.2.

Op 18 november 2024 heeft eiser een tweede asielaanvraag gedaan. Daaraan heeft hij wederom zijn bekering tot het zoroastrisme ten grondslag gelegd, waarbij hij verklaringen en foto’s heeft overgelegd. Ook heeft eiser aangevoerd dat sprake is van geloofsgroei. Verder heeft eiser een transscriptie van een videofragment overgelegd waaruit blijkt dat hij te vrezen heeft voor zijn vader, vanwege gedane bedreigingen. Dit alles maakt volgens eiser zijn eerdere asielrelaas en zijn vrees bij terugkeer aannemelijk.

3.3.

De minister heeft deze aanvraag bij bestreden besluit van 14 april 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij heeft de minister de identiteit, Iraakse nationaliteit en herkomst van eiser (net als in de eerste asielprocedure) geloofwaardig geacht. Echter heeft de minister wederom ongeloofwaardig geacht dat eiser de islam heeft verlaten, zich heeft bekeerd tot het zoroastrisme en daardoor problemen heeft met zijn familie. Eiser heeft zijn asielrelaas niet volledig onderbouwd met objectieve documenten en verder heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen nog steeds oppervlakkig en summier zijn. Eiser voldoet daarom niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dat zijn verklaringen samenhangend en aannemelijk zijn. Dit besluit ligt nu ter toetsing bij de rechtbank voor.

Niet toelaten te laat ingediend videobestand

4. Eiser heeft op 29 april 2026 aan de rechtbank laten weten dat hij een videobestand wil overleggen ter onderbouwing van zijn asielrelaas. Omdat een videobestand niet rechtstreeks aan het digitale dossier toegevoegd kan worden, heeft de rechtbank op 7 mei 2026 aan eiser het e-mailadres gegeven waarnaar het videobestand gemaild kon worden. Het videobestand is echter pas de avond voorafgaand aan de zitting, om 22:38 uur, door de rechtbank ontvangen. Dit acht de rechtbank te laat en in strijd met de goede procesorde. Van eiser had verwacht mogen worden dat hij dit videobestand al veel eerder zou overleggen. Daarbij is van belang dat hierover in mei 2026 al contact is geweest en het videobestand dus ook al die tijd in bezit van eiser is geweest. De rechtbank zal het videobestand daarom niet meenemen bij de beoordeling van het beroep.

Ingetrokken beroepsgrond

5. Eiser heeft in de schriftelijke beroepsgronden betoogt dat zijn afvalligheid geloofwaardig is. Tijdens de zitting heeft eiser verduidelijkt dat hij – ten opzichte van de eerste procedure – niet anders heeft kunnen verklaren over zijn afvalligheid. De geloofwaardigheid van de afvalligheid staat in die zin niet ter discussie staat. Eiser heeft met deze grond wél bedoeld dat hij door zijn familie en medebewoners in zijn land van herkomst wordt gezien als afvallige en daardoor een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer. Er is op zijn minst sprake van een toegedichte afvalligheid. De rechtbank zal deze grond beoordelen maar zal dus geen oordeel meer geven over de geloofwaardigheid van de afvalligheid als zodanig.

Is de opvolgende aanvraag van eiser op de juiste wijze beoordeeld?

6. Eiser betoogt dat de minister de aanvraag ten onrechte niet volgens artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 heeft beoordeeld. De minister heeft namelijk enkel verwezen naar de eerdere in rechte vaststaande ongeloofwaardigheidsbeoordeling zonder daarbij kenbaar te maken hoe de in deze procedure aangevoerde elementen zijn betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. In deze procedure heeft eiser gewezen op nieuwe bedreigingen vanuit zijn familie, nadere verklaringen gegeven over zijn religieuze ontwikkeling en aanvullende bewijsstukken overgelegd ter onderbouwing van zijn bekering en de risico’s die daaruit voortvloeien. Hoewel de minister deze elementen wel heeft benoemd, heeft hij de samenhang van deze elementen onvoldoende kenbaar beoordeeld.

6.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich tijdens de zitting terecht op het standpunt gesteld dat de bestreden besluitvorming er voldoende blijk van geeft dat alles in samenhang is beoordeeld. Eiser heeft een gehoor gehad en de overgelegde documenten zijn bij de beoordeling betrokken. Anders dan eiser betoogt, heeft de minister niet enkel verwezen naar de eerdere geloofwaardigheidsbeoordeling, maar is hij in het bestreden besluit wel degelijk ingegaan op de verklaringen van eiser en de overgelegde documenten. De minister acht de verklaringen van eiser nog steeds oppervlakkig en zijn kennis over zijn nieuwe geloof nog steeds beperkt. De overgelegde documenten overtuigen de minister niet, waarbij de minister heeft gewezen op innerlijke tegenstrijdigheden in die documenten. De rechtbank is van oordeel dat de minister de asielaanvraag van eiser op juiste wijze heeft beoordeeld. Of de minister ook tot een juiste conclusie is gekomen, zal hierna worden besproken.

Heeft de minister voldoende rekening gehouden met de medische situatie van eiser?

7. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn medische en psychische situatie en hoe deze invloed hebben op zijn vermogen om te verklaren. Eiser heeft expliciet melding gemaakt van zijn medische situatie. Deze situatie is in de zienswijze nader onderbouwd. De enkele stelling van de minister dat bij opvolgende aanvragen in de regel niet opnieuw medisch advies wordt gevraagd en dat eiser geen medische stukken heeft overgelegd waaruit een diagnose blijkt, is te formalistisch. Daarbij komt dat eiser ook in het gehoor melding heeft gemaakt van relevante klachten. Eiser wijst verder op een uitspraak van de Afdeling waaruit volgt dat medisch steunbewijs relevant kan zijn voor het verklaringsvermogen en dat de minister dat kenbaar moet beoordelen.

7.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat bij opvolgende aanvragen niet standaard een nieuw medisch advies wordt gevraagd. Het is dan aan eiser om te onderbouwen waarom dat wel noodzakelijk is en dat heeft eiser niet gedaan. Hij heeft namelijk voor het gehoor geen medische documenten overgelegd. Hoewel eiser in de aanvullende zienswijze van februari 2026 heeft gesteld dat hij onder medische behandeling staat en medicatie krijgt, heeft eiser hiervan geen documentatie overgelegd. Daarom blijkt niet dat eiser niet in staat was om te verklaren tijdens het gehoor en dat niet meer van hem verwacht had mogen worden. Daarbij komt dat eiser ten tijde van het gehoor de medicatie nog niet gebruikte, waardoor dat ook geen invloed heeft kunnen hebben op zijn vermogen om te verklaren. Het door eiser overgelegde medisch dossier in de beroepsfase leidt niet tot een ander oordeel. Uit dat dossier blijkt dat eiser in de periode voorafgaand aan het gehoor bij het GZA is geweest, maar enkel met fysieke klachten. Pas ná het gehoor is heeft eiser zich gemeld met angstklachten en slapeloosheid. Verder blijkt ook niet uit dit dossier dat eiser onder medische behandeling staat. De rechtbank is daarom van oordeel dat het medisch dossier geen aanleiding geeft voor het vermoeden dat eiser ten tijde van het gehoor niet goed kon verklaren vanwege medische klachten. De minister wijst er verder terecht op dat tijdens het gehoor regelmatig pauzes zijn ingelast, vragen zijn herhaald en/of toegelicht en eiser heeft aangegeven dat het goed met hem ging en dat hij kon verklaren. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank tijdens het gehoor voldoende rekening gehouden met de situatie van eiser. Ondanks de medische situatie kon van eiser verwacht worden dat hij inzicht kan geven in de geloofsgroei en hierover persoonlijke verklaringen kan afleggen.

Is de bekering van eiser tot het zoroastrisme terecht ongeloofwaardig geacht?

8. Eiser betoogt dat de minister zijn bekering en geloofsgroei wél geloofwaardig had moeten achten. Eiser heeft namelijk uitvoerig verklaard over zijn ontwikkeling en de wijze waarop hij zijn geloof in zijn dagelijks handelen uit. Ook heeft hij concrete voorbeelden van zijn gedragsverandering gegeven. Deze verklaringen kunnen daarom niet worden afgedaan als oppervlakkig en de minister had de geloofsgroei moeten bezien in het licht van de eerdere verklaringen tijdens de eerste asielprocedure. Uit de verklaringen tijdens het gehoor opvolgende aanvraag blijkt een nadere invulling en concretisering van wat in de eerste procedure is verklaard. Eiser heeft ook aanvullende stukken overgelegd, zoals verklaringen van derden, documenten en andere informatie die zijn relaas ondersteunen. Daarbij heeft de minister de foto van de ceremonie, de verklaring van [persoon 1] en de lidmaatschapskaart van de Mary organization Culture of Zoroastrian onvoldoende in samenhang met de verklaringen van eiser beoordeeld. De minister geeft verder doorslaggevende betekenis aan de kennis van eiser, terwijl eiser heeft verklaard dat het zoroastrisme in zijn beleving niet primair een tekstgerichte religie is, maar een levenswijze waarbij moreel handelen, persoonlijke ontwikkeling en sociale betrokkenheid kenmerkend zijn. Daarmee heeft eiser, zo meent hij, zijn oprechte religieuze overtuiging aannemelijk gemaakt. Ook heeft eiser een tatoeage laten zetten met een symbool van het zoroastrisme.

8.1.

De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in Ebilum, het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid zal beoordelen. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom niet langer, wanneer zij het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid toetst, beoordelen of de minister zich ‘niet ten onrechte’ op een bepaald standpunt heeft gesteld.

8.2.

Niet in geschil is dat eiser zijn verklaringen over zijn bekering niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c van de Vw 2000.

8.3.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser zijn bekering tot en/of geloofsgroei binnen het zoroastrisme niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de minister dit motief in de eerdere asielprocedure ook ongeloofwaardig heeft geacht aan de hand een beoordeling van de verklaringen van eiser. Dit besluit staat in rechte vast. Daarbij komt dat eiser in de huidige procedure wederom oppervlakkig, summier en algemeen heeft verklaard en nog steeds weinig kennis etaleert over zijn gestelde nieuwe geloof. Eiser verklaart over het zoroastrisme slechts in algemene bewoording. Zo verklaart hij bijvoorbeeld dat personen die dit geloof aanhangen ‘anders’ denken. Eiser heeft met zijn verklaringen bovendien onvoldoende inzicht gegeven in de door hem gestelde geloofsverdieping. Voor zover eiser heeft aangegeven hoe het zoroastrisme in zijn dagelijks leven tot uitdrukking komt, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat zijn verklaringen te algemeen zijn en niet tot uitdrukking brengen waarom het zoroastrisme hierin bepalend is. Behulpzaam zijn en het bieden van een luisterend oor zijn immers algemene eigenschappen die zonder nadere toelichting niet direct te herleiden zijn tot een specifiek geloof. Met betrekking tot de overgelegde foto’s van een rituele ceremonie en de lidmaatschapskaart van de Mary organization Culture of Zoroastrian wijst de minister er terecht op dat deze ook in de vorige procedure al zijn overgelegd en zijn beoordeeld. De verklaring van [persoon 1] is op zichzelf nieuw, maar een vergelijkbare verklaring is in de vorige procedure overgelegd en meegewogen in de geloofwaardigheidsbeoordeling. De nieuwe verklaring heeft in dit opzicht geen toegevoegde waarde. Overigens wijst de minister terecht op de discrepantie in de verklaringen, nu in de eerdere verklaring wordt gesproken over een ceremonie in Suleymaniya en in de nieuwe verklaring over een ceremonie bij [persoon 1] thuis in Engeland. De verklaring van [persoon 2] is eveneens nieuw, maar over dit document stelt de minister zich terecht op het standpunt dat deze is opgesteld op basis van eigen verklaringen van eiser en in zoverre geen zelfstandige betekenis heeft. Deze documenten leiden dus niet tot een ander oordeel. Met betrekking tot de tatoeage wijst de minister er terecht op dat het gaat om een afbeelding van een vleugel met meerdere veren en dat die afbeelding als een algemeen figuur met meerdere betekenissen kan worden gezien. De tatoeage is dus niet verbonden aan een specifieke religie of denkbeeld. Daarbij heeft eiser niet betwist dat hij deze tatoeage al had tijdens de vorige procedure en daar niets over heeft gezegd. Dit had wel van hem mogen worden verwacht.

Loopt eiser een risico op vervolging bij terugkeer?

9. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van een risico op vervolging. Daarbij heeft de minister enkel gesteld dat de landeninformatie over de risico’s die afvallingen en bekeerlingen lopen bij terugkeer naar Irak, niet op eiser van toepassing is vanwege de ongeloofwaardigheid van de afvalligheid en de bekering. De minister moet echter desondanks beoordelen of eiser als gevolg van een toegedichte afvalligheid of toegedichte afwijkende religieuze identiteit een risico loopt. In dat kader is relevant dat eiser consequent heeft verklaard dat zijn familie hem als afvallige beschouwt en dat er concrete bedreigingen zijn geuit. Deze verklaringen en bedreigingen heeft eiser ook onderbouwd met een transcriptie van een dreigvideo. In het kader van de toegedichte afwijkende religieuze identiteit is relevant dat deze identiteit zichtbaar is geworden door gedragsverandering en de tatoeage van eiser. De tatoeage van eiser is een symbool uit het zoroastrisme. Dat sprake zou zijn van een algemeen symbool, is een onjuiste weergave van de minister. Daarnaast heeft de minister onvoldoende onderzocht welke betekenis deze tatoeage heeft binnen de Iraakse en Koerdische context en daarmee een risico op vervolging bij terugkeer kan vormen.

9.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser geen risico op vervolging loopt bij terugkeer. Over de tatoeage stelt de minister zich terecht op het standpunt dat die niet ziet op een duidelijk symbool van het zoroastrisme maar meer algemeen is, waarmee dus niet wordt gevolgd dat de tatoeage een uiting is van een religieuze identiteit. Met betrekking tot de bedreigingen verwijst de minister terecht naar de eerdere procedure waarin deze ongeloofwaardig zijn geacht, en dat staat in rechte vast. Verder komt aan het transcript van de dreigvideo niet de waarde toe die eiser daaraan wenst toe te kennen. Het is namelijk onduidelijk wie het transcript heeft gemaakt en daarom is dit niet verifieerbaar. Daarbij komt dat eiser heeft verklaard dat de video door zijn zus is gemaakt en door haar is opgestuurd. Dat maakt dat de video niet afkomstig is van een objectieve bron. Daarmee heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van een toegedichte afvalligheid.

Kon de aanvraag worden afgewezen als kennelijk ongegrond?

10. Eiser betoogt dat zijn aanvraag niet kon worden afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister heeft daarbij verwezen naar artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000. Daarbij dient zonder nadere twijfel te kunnen worden vastgesteld dat een aanvraag geen grond voor verlening van internationale bescherming oplevert. Dat is in het geval van eiser niet zo, gelet op de aard en omvang van de door eiser aangevoerde elementen. Van een evidente ongegrondheid is volgens eiser geen sprake, gelet op al hetgeen hiervoor is aangevoerd.

10.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond gelet op artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000. De aanvraag van eiser is namelijk een opvolgende aanvraag die niet niet-ontvankelijk is gevraagd. Anders dan eiser betoogt, blijkt uit deze artikelen niet dat zonder twijfel moet worden vastgesteld dat een aanvraag geen grond voor verlening van internationale bescherming oplevert.

Conclusie en gevolgen

11. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn opvolgende aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid

van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Rb. Den Haag, zp. Haarlem, 16 november 2023, zaaknummer: NL23.9335 (niet gepubliceerd). ABRvS 24 januari 2024, zaaknummer: 202307613-1 V2 (niet gepubliceerd). ABRvS 14 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5526. HvJEU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder 58.