Vreemdelingenrecht

Asiel, statushouder Griekenland, asielaanvraag niet-ontvankelijk, zelfredzaamheid, beroep ongegrond.

Rechtbank Den Haag, 26 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 26 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
26 oktober 2026
Datum publicatie
26 oktober 2026
Zaaknummer
NL26.47628
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:31544
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Asiel, statushouder Griekenland, asielaanvraag niet-ontvankelijk, zelfredzaamheid, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.47628


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. L.S.T.H. Ruijters),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. E.N. Spijkerman).

Procesverloop

Bij besluit van 13 augustus 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 1 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Jemenitische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1993. Hij heeft op 19 augustus 2026 een asielaanvraag in Nederland ingediend.

2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser internationale bescherming geniet in Griekenland. Eiser heeft, gelet op zijn Griekse asielstatus, een zodanige band met Griekenland dat het redelijk is dat hij daarheen terugkeert. Verweerder volgt de verklaringen dat eiser geen hulp heeft gekregen van de Griekse autoriteiten niet, omdat uit openbare landeninformatie volgt dat er diverse faciliteiten worden aangeboden. Niet gebleken is dat eiser hier gebruik van heeft gemaakt, hetgeen wel van hem mag worden verwacht. Ook heeft eiser zelf slechts marginaal onderzoek gedaan naar de beschikbare hulp. De rechten die voortvloeien uit eisers status moet hij zelf effectueren in Griekenland. Uit de beschikbare landeninformatie volgt verder dat het niet onmogelijk is om in de basisbehoeften te voorzien bij terugkeer naar Griekenland. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in Griekenland terecht zal komen in een situatie van verregaande materiële deprivatie. Zo wordt van eiser verwacht dat hij zelf informeert naar de procedures en alternatieve hulp zoekt. Ook kan eiser in zijn basale behoeftes voorzien zonder gebruik van overheidssteun, desnoods via informeel werk of hij kan met behulp van een netwerk onderdak regelen. Verweerder verwijst daarbij naar initiatieven die terugkerende statushouders ondersteunen, zowel van overheidswege als daarbuiten.

3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat niet zonder meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van Griekenland en dat er zorgen bestaan over de situatie van terugkerende statushouders. Verweerder kan er niet vanuit gaan dat de leefomstandigheden in Griekenland bij terugkeer niet de drempel van zwaarwegendheid van het arrest Ibrahim halen. Eiser verwijst hierbij naar uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam en zittingsplaats Roermond. Deze uitspraken gaan in op de beoordeling van het criterium van zelfredzaamheid die nader zijn uitgewerkt in de informatieberichten van verweerder. Voor zover verweerder verwijst naar het informatiebericht 2026/1 is deze niet gebaseerd op nieuwe informatie over Griekenland. De situatie voor statushouders in Griekenland is verslechterd ten opzichte van het laatste feitenrapport van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 3 september 2024.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de landeninformatie kan worden afgeleid dat de situatie van statushouders in Griekenland wordt bemoeilijkt doordat het verkrijgen van de benodigde documenten lastig is, maar er valt hier ook uit te lezen dat de overheid en ngo’s actief zijn om statushouders nader te ondersteunen en te helpen op diverse terreinen. In dit verband wijst verweerder op het arrest D.O. en L.A. tegen Zweden van het EHRM, waaruit volgt dat de lat van materiële deprivatie hoog ligt. Ook verplicht artikel 3 van het EVRM niet dat lidstaten iedere vreemdeling binnen hun landsgrenzen voorzien van een woning of financiële ondersteuning. Verweerder beoordeelt of wordt voldaan aan het arrest Ibrahim aan de hand van het criterium van zelfredzaamheid, zoals uitgewerkt in het informatiebericht 2026/1 dat is toegepast op onderhavige zaak. Deze beoordeling vindt plaats aan de hand van individuele feiten en omstandigheden en vormt geen afgebakend kader. In het geval van eiser is gebleken van voldoende zelfredzaamheid en is geen sprake van een verregaande materiële deprivatie bij terugkeer naar Griekenland.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Niet in geschil is dat eiser internationale bescherming geniet in Griekenland sinds 27 mei 2026. De Griekse autoriteiten hebben aan eiser subsidiaire bescherming verleend met een Griekse asielvergunning (ADET) met een geldigheidsduur van 27 mei 2026 tot en met 26 mei 2027.

6. Verweerder kan op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw een asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaren als een vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming heeft. De aanvraag wordt alleen niet-ontvankelijk verklaard als de lidstaat de internationale verplichtingen uit het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het EVRM en artikel 3 van het Antifolterverdrag nakomt en de vreemdeling een zodanige band heeft met die lidstaat dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan.

7. In het arrest Ibrahim is uiteengezet dat bij het aannemen van een risico op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid moet worden bereikt. De bewijslast ligt in dit kader bij de statushouder. Volgens het Hof wordt deze (bijzonder hoge) drempel bereikt indien de onverschilligheid van de autoriteiten van een lidstaat tot gevolg zouden hebben dat een persoon die volledig afhankelijk is van de overheidssteun, buiten zijn wil en persoonlijke keuzes om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid. Ook uit het door verweerder aangehaalde arrest D.O. en L.A. tegen Zweden van het EHRM volgt dat de bewijslast bij de statushouder ligt. Uit dit arrest volgt verder dat lidstaten niet kunnen worden verplicht iedere vreemdeling te voorzien van huisvesting of financiële hulp te bieden om een bepaalde levensstandaard te behouden.

8. Om te kunnen beoordelen of een asielaanvraag van een Griekse statushouder niet-ontvankelijk kan worden verklaard, heeft verweerder een vaste gedragslijn neergelegd in informatieberichten. Volgens het door verweerder in het bestreden besluit toegepaste IB 2026/1 kan een asielaanvraag van een Griekse statushouder niet-ontvankelijk worden verklaard indien de vreemdeling als zelfredzaam kan worden beschouwd. Een vreemdeling wordt geacht zelfredzaam te zijn indien hij een volwassen, alleenstaande man is die niet kwetsbaar is en beschikt over een geldige verblijfsvergunning. De rechtbank acht dit, gelet op het toetsingskader, niet onredelijk.

9. Hoewel uit de landeninformatie blijkt dat de situatie voor statushouders in Griekenland moeilijk is, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser op basis van zijn individuele omstandigheden als zelfredzaam kan worden beschouwd. Eiser heeft geen persoonlijke feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat hij kwetsbaar is en, bij terugkeer naar Griekenland, terecht zal komen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie. Uit de verklaringen van eiser volgt dat hij zich tijdens zijn (relatief korte) verblijf van twee maanden in Griekenland niet van alle basale levensbehoeften heeft kunnen voorzien. Zo heeft eiser in deze periode geen werk gehad en is het hem via zijn Arabisch sprekende (sociale) netwerk niet gelukt om een eigen woning te vinden. Eiser heeft wel opvang gehad en bij rondvraag in voornoemd netwerk werd hij ook voorzien in eten. Hieruit volgt een zekere mate van zelfredzaamheid bij eiser. Dat eiser het zoeken en benutten van hulp hierbij heeft gelaten, heeft verweerder dan ook terecht bij zijn beoordeling betrokken. Niet gebleken is dat eiser gebruik heeft gemaakt van de initiatieven in Griekenland die lopen via de Griekse overheid, stichtingen en ngo’s. Eiser verklaart op dit punt enkel dat hij hier wel naar heeft gezocht, maar dit niet heeft gevonden. Het is aan eiser om zijn rechten als statushouder te effectueren in Griekenland en hulp te zoeken voor zover hij dat nodig heeft. Bovendien is eisers Griekse verblijfsvergunning nog geldig tot 26 mei 2027. Hij hoeft bij terugkeer dus niet opnieuw een vergunning aan te vragen.

10. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Griekenland terecht zal komen in een situatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 26 oktober 2026 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Op grond van artikel 30a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) gelezen in samenhang met artikel 38, eerste lid, aanhef onder c, van de Verordening (EU) nr. 2024/1348 (Procedureverordening). Hierbij verwijst eiser naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3537 en 28 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1627. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:219. Uitspraak van 27 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22749. Uitspraak van 3 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:20337. Dit betreft onder meer informatie van UNHCR, AIDA, Greece Refugee Info, COI FOCUS en van de Europese Commissie. Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 7 juli 2026, ECLI:CE:ECHR:2026:0707DEC003003324. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zie punt 107 van het voornoemde arrest. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Artikel 4 van het Handvest is inhoudelijk gelijk aan artikel 3 van het EVRM. Punt 90 van het arrest Ibrahim. Zie punt 107 van het voornoemde arrest. Recent is een nieuw informatiebericht verschenen, namelijk IB 2026/31. Dit nieuwe informatiebericht bevat een uitbreiding van de criteria zoals benoemd in IB 2026/1, maar geen wijziging van het voorgaande zelfredzaamheidscriterium. Informatiebericht 2026/1: Beoordeling statushouders Griekenland. Dit volgt uit pagina 10 en 14 van het gehoor. Dit volgt uit pagina 14 en 15 van het gehoor.