Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag · Eerste aanleg - enkelvoudig · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 26 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:31605 · Rechtbank Den Haag · 26 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-31605
Zaakgegevens
Op 26 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 26 oktober 2026
- Datum publicatie
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL26.6842
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:31605
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Asiel, Syrië ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6842
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,geboren op [geboortedatum],van Syrische nationaliteit,V-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. B.D. Lit),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. L. Maring).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 18 november 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 6 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
De minister heeft gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 20 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij uit Syrië is gevlucht wegens de toenmalige oorlogssituatie en militaire dienstplicht. Eiser kreeg tijdelijk uitstel voor de militaire dienst en problemen bij controleposten. Bij terugkeer vreest eiser nog steeds voor de algemene veiligheidssituatie. Ook vreest eiser dat de militaire dienstplicht terug zal komen. Nadat eiser uit Syrië is vertrokken kreeg zijn familie problemen vanwege een woning in Idlib. Er zijn andere mensen in deze woning gaan wonen. Zij hebben eisers familie bedreigd en mishandeld. Eiser wordt ook bedreigd, via het nummer van zijn vader en via Facebook.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
-
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
-
Problemen wegens de militaire dienstplicht en algemene situatie;
-
Familieproblemen wegens huisinname.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser, evenals de problemen wegens de militaire dienstplicht en algemene situatie, geloofwaardig zijn. De familieproblemen wegens de huisinname zijn volgens de minister niet geloofwaardig.
Heeft de minister terecht een relatief laag niveau van willekeurig geweld aangenomen?
5. Eiser stelt dat de door de minister genoemde daling in de aantallen geweldsincidenten ziet op een vergelijking van de periode december 2024 en december 2025. Echter, in de zienswijze heeft eiser erop gewezen dat deze periode significant meer burgerdoden kent dan in de voorgaande jaren toen er nog wel een hoog niveau van willekeurig geweld in de zin van artikel 15 onder c Kwalificatieverordening werd aangenomen. Eiser stelt zich op het standpunt dat dit op gespannen voet staat met de onderbouwing van de stelling dat terugkeer naar Syrië verantwoord zou zijn, nu volgens de minister sprake zou zijn van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Immers, het is onduidelijk wat er wordt bedoeld met een relatief lager niveau van willekeurig geweld nu de vergelijking met recente jaren eerder wijst op een hoger niveau van willekeurig geweld. Voorts heeft eiser gewezen op het standpunt van de EU, namelijk dat naar EU-maatstaven Syrië nog niet veilig is als land van herkomst.
De beroepsgrond slaagt niet. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in de uitspraak van 9 december 2025 een oordeel gegeven over de gradatie van willekeurig geweld in Syrië. Hierin heeft de rechtbank aan de hand van hetgeen was aangevoerd geoordeeld dat er geen aanleiding bestond voor het oordeel dat de minister de situatie in Syrië ten onrechte heeft gekwalificeerd als een 15c-situatie in de laagste gradatie. De rechtbank ziet in hetgeen eiser in deze zaak heeft aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Voor zover eiser wijst op het aantal geweldsincidenten ten opzichte van de voorgaande jaren, overweegt de rechtbank als volgt. Zoals de minister in het verweerschrift en ter zitting heeft toegelicht, werd in deze periode uitgegaan van de presumptie dat Syriërs bij terugkeer een reëel risico liepen op ernstige schade als gevolg van de dreiging en repressie van het regime Assad. Dit was op grond van artikel 15, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn. De enkele verwijzing naar de aantallen burgerslachtoffers in die periode leidt dan ook niet tot het oordeel dat uitgegaan moet worden van een hoger niveau van willekeurig geweld in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft voldoende deugdelijk gemotiveerd dat, gelet op onder meer het aantal geweldsincidenten en de fragiele veiligheidssituatie, geen sprake is van een hoger niveau van willekeurig geweld. Ook eisers verwijzing naar een persbericht van de Europese commissaris voor Binnenlandse zaken en migratie kan niet tot een ander oordeel leiden. De omstandigheid dat gedwongen uitzettingen om diplomatieke redenen niet plaatsvinden maakt niet dat van een hoger niveau van willekeurig geweld moet worden uitgegaan. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de minister, met inachtneming van wat in deze zaak is aangevoerd, voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld.
Conclusie en gevolgen
6. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.