Vreemdelingenrecht
Griekse statushouder. Asielaanvraag niet-ontvankelijk. Beroep ongegrond.
Rechtbank Den Haag, 22 mei 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:31809 · Rechtbank Den Haag · 22 mei 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-31809
Zaakgegevens
Op 22 mei 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 22 mei 2026
- Datum publicatie
- 29 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL25.40432
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:31809
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Griekse statushouder. Asielaanvraag niet-ontvankelijk. Beroep ongegrond.
Uitspraak
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar]
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.40432
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer] ,
eiser (gemachtigde: mr. D.S. Harhangi-Asarfi),
en
de Minister van Asiel en Migratie,
verweerder, (gemachtigde: mr. A.F.J. Smulders).
Procesverloop
1. Eiser heeft op 23 oktober 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het besluit van 22 mei 2025 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Deze beschikking is ingetrokken bij besluit van 30 juli 2025. Vervolgens heeft verweerder met het bestreden besluit van
18 augustus 2025 voornoemde aanvraag opnieuw niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, eiser het bevel gegeven onmiddellijk naar Griekenland te gaan en bepaald dat eiser een rechterlijke dwangsom van €15.000,-krijgt uitbetaald.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft gereageerd op het verweerschrift en een nader stuk ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Samenvatting asielrelaas
2. Eiser heeft de Guinese nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1994. Eiser is 5 november 2019 Griekenland binnen gekomen. Eiser heeft sinds 28 december 2020 internationale bescherming in Griekenland en bezit daar een -inmiddels verlopen-verblijfsvergunning (en een rijbewijs). Eiser heeft gewoond en gewerkt in Griekenland. Op enig moment heeft eiser problemen gekregen met zijn werkgever: zijn salaris werd
ingehouden en navraag heeft geleid tot een gevecht. Eiser is bij de Griekse politie geweest, maar werd daar volgens eiser niet geholpen. Eiser is vervolgens gestopt met werken, maar werd daarna nog twee maanden lang telefonisch lastiggevallen door zijn werkgever. Eiser heeft daarop Griekenland verlaten.
Eiser heeft op 23 oktober 2022 een asielaanvraag ingediend. Eiser vreest voor zijn persoonlijke veiligheid in Griekenland vanwege de problemen met zijn ex-werkgever en hij vreest dat hij geen huisvesting kan verkrijgen bij terugkeer naar Griekenland.
Het bestreden besluit
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij in Griekenland internationale bescherming geniet. Bij bericht van 31 januari 2025 hebben de Griekse autoriteiten laten weten dat eiser in Griekenland over een vluchtelingenstatus beschikt, dat zijn daartoe verstrekte vergunning geldig was tot 27 december 2023 en dat zijn vluchtelingenpaspoort (traveldocument) geldig is tot 8 juni 2026. Van een intrekking van de verleende vluchtelingenstatus is geen sprake. Verweerder stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Griekenland in een situatie terecht zal komen die in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Uit landeninformatie blijkt niet dat het onmogelijk is om in de basisbehoeften te voorzien als eiser teruggaat naar Griekenland. Er blijken geen indicaties van bijzondere kwetsbaarheid uit eisers dossier. Verwacht kan daarom worden dat eiser zich enige tijd staande kan houden in Griekenland gedurende de verlengingsprocedure van zijn vergunning, eventueel in afwachting van steun van de overheid of andere organisaties. Verweerder heeft daarbij opgemerkt dat eiser de Griekse taal enigszins beheerst, de weg kent in Griekenland en in het verleden al contact heeft gehad met een ngo.
De beroepsgronden
4. Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom van hem kan worden verwacht dat hij terugkeert naar Griekenland. Eiser voert daartoe aan dat hij bij terugkeer naar Griekenland terecht zal komen in een humanitaire situatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest, omdat door de Griekse autoriteiten niet kan worden voorkomen dat statushouders niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften. Eiser wijst ter onderbouwing op het AIDA-rapport uit 2020 en de uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1627). Anders dan verweerder meent, biedt de eerdere vestiging van eiser geen perspectief dat eiser bij terugkeer kan voorzien in zijn levensonderhoud, nu de omstandigheden in Griekenland zijn veranderd. Als terugkeerder verkeert eiser in een nog kwetsbaardere positie: hij heeft geen netwerk meer, geen directe toegang tot huurcontracten of werkgevers, en loopt risico op dakloosheid. Rapportages van UNHCR, ECRE/AIDA en Human Rights Watch tonen aan dat statushouders vaak stuiten op structurele belemmeringen: taalbarrières, bureaucratische eisen, discriminatie en capaciteitstekorten. Eiser wijst in dit verband ook nog naar de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1091). Eiser wijst er tot slot op dat het in het bestreden besluit opgenomen bevel tot terugkeer naar Griekenland in strijd is met Informatiebericht 2025/20 (IB 2025/20).
Het oordeel van de rechtbank
Juridisch kader
5. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een asielvergunning niet-ontvankelijk worden verklaard indien de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet. Deze discretionaire bevoegdheid wordt nader ingevuld door artikel 3.106a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Uit het eerste lid van artikel 3.106a van het Vb volgt dat de aanvraag slechts niet-ontvankelijk wordt verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw indien, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, de vreemdeling in het betrokken derde land overeenkomstig de beginselen van het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het EVRM en artikel 3 van het Verdrag tegen foltering zal worden behandeld.
6. Het uitgangspunt is in het algemeen dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van een vreemdeling in de lidstaat waar hij of zij internationale bescherming geniet, in overeenstemming is met de bepalingen van het EU-Handvest, het Vluchtelingenverdrag, en het EVRM (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). Het is dan aan de vreemdeling om dit vermoeden te weerleggen.
7. Voor Griekenland ligt dit anders. Uit de uitspraken van de Afdeling van 28 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1626 en ECLI:NL:RVS:2021:1627, volgt dat de Griekse
autoriteiten, ondersteund door verschillende ngo’s, weliswaar niet onverschillig staan tegenover de situatie van statushouders, maar dat zij in de praktijk niet kunnen voorkomen dat statushouders in een situatie terecht komen waarin zij niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten, zich wassen. Verweerder kan ten aanzien van Griekenland daarom niet zonder meer uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en er niet zonder meer van uitgaan dat de leefomstandigheden die statushouders bij terugkeer in Griekenland te verduren krijgen niet de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid van het arrest Ibrahim van het HvJEU van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:219 (arrest Ibrahim) bereiken. Hieruit volgt dat verweerder in zaken van Griekse statushouders aannemelijk moet maken en deugdelijk moet motiveren dat de Griekse statushouder bij terugkeer naar Griekenland niet in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest in een situatie terechtkomt van zeer verregaande materiële deprivatie.
8. Naar aanleiding van de uitspraken van de Afdeling van 28 juli 2021 heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken de situatie van statushouders in Griekenland nader onderzocht. Op 24 juni 2022 is het eerste ‘verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’ gepubliceerd. Naar aanleiding van dit feitenonderzoek heeft verweerder in informatiebericht (IB) 2022/84 een vaste gedragslijn neergelegd op grond waarvan hij kon beoordelen of in voorkomend geval een asielaanvraag van een Griekse statushouder niet-ontvankelijk kon worden verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. IB 2022/84 is op 15 mei 2024 vervangen door IB 2024/31. Op 3 september 2024 is het tweede ‘verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’ (het tweede verslag) gepubliceerd. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder op 12 mei 2025 IB 2024/31 vervangen door IB 2025/20. Verweerder heeft in de zaak van eiser IB 2025/20 toegepast. Eiser heeft in de nadere gronden van beroep erop gewezen dat IB 2025/20 per 28 januari
2026 is vervangen door IB 2026/1 en gesteld dat het bestreden besluit hieraan dient te worden getoetst. De rechtbank zal IB 2026/1 daarom als toetsingskader hanteren.
9. Uit IB 2025/20 volgt dat verweerder een asielaanvraag van een Griekse statushouder niet-ontvankelijk kan verklaren als de vreemdeling als zelfredzaam kan worden beschouwd en zich in Griekenland zelfstandig kan handhaven. Dit ‘zelfredzaam en zelfstandig handhaven-criterium’ is in IB 2025/20 echter niet kenbaar uitgewerkt.
10. In IB 2026/1 is dit criterium wel uitgewerkt: een vreemdeling is in ieder geval zelfredzaam indien hij beschikt over een geldige Griekse verblijfsvergunning, een volwassen alleenstaande man is en niet kwetsbaar is. Niet-ontvankelijk verklaren is ook mogelijk wanneer de verblijfsvergunning verlopen is. Pas wanneer de internationale bescherming expliciet is ingetrokken heeft de vreemdeling geen verblijfsrecht meer in Griekenland. Een verlopen verblijfsstatus kan verlengd worden. Dit kan de vreemdeling echter niet vanuit Nederland doen en de procedure voor verlening kan enige maanden duren. In deze gevallen is het temeer van belang om goed te onderbouwen dat de vreemdeling na vergunningverlening in Griekenland als zelfredzaam kan worden beschouwd en zich in Griekenland zelfstandig zal kunnen handhaven. Bij de beoordeling van zelfredzaamheid moeten altijd de individuele omstandigheden betrokken worden.
Zelfredzaamheid en risico op zeer verregaande materiele deprivatie
11. Verweerder heeft in het verweerschrift onder verwijzing naar het tweede verslag, pagina’s 19, 39, 40. 41, 65 en 66, en een aantal rapporten zoals het AIDA-rapport, update
2024, van september 2025, pagina’s 238, 259, het rapport van UNHCR over Greece Protection Monitoring of Refugees - Key findings 2024, het rapport inzake de Communication on the status of migration management in mainland Greece, van de Europese Commissie van 4 april 2025, hoofdstuk 5, Economic forecast for Greece van 17 november 2025 en het rapport van de Johannes Kepler University Linze, van januari
2025, pagina 24, nader uiteengezet dat de situatie voor statushouders sinds de uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2021 is verbeterd. Dit is onder meer gelegen in de aanzienlijk verkorte wachttijden voor het verlengen van de verblijfsvergunning (drie tot zes maanden in plaats van een jaar}, de stijging van het aantal daklozenopvangcentra in Athene van drie naar zeven, een ‘coverage’ programma voor huisvesting waar onder andere statushouders beroep op kunnen doen, de mogelijkheid van woonruimte in het informele circuit, een sterke toename van het percentage statushouders dat werk heeft, van 29 % naar 50 %, waarvan meer dan de helft met een arbeidscontract, waarbij het grootste obstakel is gelegen in het beheersen van de taal, en daarnaast een grote informele economie, en de nodige (financiële) ondersteuning en verbetering van de positie van statushouders in Griekenland. Daarnaast heeft verweerder gewezen op twee uitspraken van het Duitse Verwaltungsgerichtshof van 6 augustus 2024, 2 A, 1131/24.A en 2 A 489/23.A, waarin is aangenomen dat voor mannelijke, erkende begunstigden die alleen naar Griekenland terugkeren en jong, gezond en in staat zijn om te werken, geen sprake is van een bijzondere kwetsbaarheid omdat de arbeidsmarktsituatie in Griekenland aanzienlijk is verbeterd, de dakloosheid is teruggedrongen en spoedeisende zorg in de publieke gezondheidszorg is gegarandeerd. Dit oordeel is bevestigd in de uitspraak van het Duitse Bundesverwaltungsgericht van
23 oktober 2025, BVerwG C11.25, waarin het onwaarschijnlijk is geacht dat alleenstaande niet kwetsbare mannen niet in staat zijn onderdak te vinden en eerst inkomen te verkrijgen uit de informele arbeidssector.
12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onder verwijzing naar de in rechtsoverweging 11. vermelde informatie deugdelijk gemotiveerd dat eiser niet terecht zal komen in een situatie van verregaande materiële deprivatie bij terugkeer naar Griekenland omdat eiser als zelfredzaam kan worden beschouwd. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat uit deze informatie kan worden afgeleid dat de situatie van statushouders wordt bemoeilijkt vanwege met name de benodigde documenten, maar dat daaruit ook blijkt dat zowel de overheid als veel ngo’s actief zijn om statushouders nader te ondersteunen en te helpen op diverse terreinen. Daarnaast is het mogelijk onderdak te vinden en te verkrijgen en is de situatie op de arbeidsmarkt verbeterd. Ook blijkt daaruit dat er wordt gewerkt aan het verbeteren van de inrichting van de bureaucratie wat betreft de verlening van documenten en de documenten zelf. Verder maakt het afdoende beheersen van de taal één en ander in de praktijk ook gemakkelijker. Met de enkele verwijzing naar niet gedateerde landeninformatie heeft eiser dit onvoldoende bestreden. Verweerder heeft daarbij terecht de volgende feiten en omstandigheden betrokken. Eiser heeft verklaard dat hij meerdere jaren in Griekenland heeft verbleven, waar hij de beschikking had over alle benodigde papieren, daar heeft gewoond en gewerkt, zijn rijbewijs heeft gehaald, gebruik heeft gemaakt van een integratieprogramma en zich heeft weten te wenden tot een ngo voor hulp bij het vinden van een woning. Voorts is eiser de Griekse taal machtig en heeft hij verklaard dat hij zijn weg in Athene weet te vinden. Daarnaast was eiser in staat zelf een andere woning te vinden in Athene alsook andere werkgelegenheid na problemen in zijn eerste baan. Weliswaar moet de verblijfsvergunning (ADET) van eiser worden verlengd en dient een en ander te worden gereactiveerd, zoals zijn fiscale nummer (AFM) en sociale zekerheidsnummer (AMKA), maar eiser beschikt nog wel over een geldig vluchtelingenpaspoort, dat door de Griekse autoriteiten is verstrekt en zijn status onderschrijft. Verweerder heeft er voorts terecht op gewezen dat bij terugkeer op het vliegveld van Athene, voldoende informatiebronnen voor statushouders in diverse talen beschikbaar zijn en de nodige faciliteiten aan statushouders worden aangeboden. Eiser heeft voorts eerder een asielprocedure doorlopen in Griekenland en is bekend met de Griekse regelgeving. Eiser is bovendien een gezonde alleenstaande volwassen man die in staat is om te werken. Gelet op al deze omstandigheden heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat mag worden verwacht dat eiser bij terugkeer naar Griekenland enige tijd kan overbruggen in afwachting van de verlenging van zijn verblijfsvergunning en re-activatie van de benodigde documenten/nummers en in zijn basisbehoeften zal kunnen voorzien en dus niet buiten zijn eigen wil en keuzes om terecht zal komen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie. Het voorafgaand aan de zitting door eiser ingebrachte arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van
20 februari 2026, nr. 341 503 ziet op een Griekse statushouder die in België op straat leeft en afhankelijk is van liefdadigheid. Zijn situatie is niet vergelijkbaar met de situatie van eiser, die, zoals hij ter zitting heeft verklaard, in Nederland werk heeft. Ook gelet daarop kan worden verwacht dat eiser over enige middelen beschikt om de wachtperiode te overbruggen.
13. Verweerder heeft verder terecht overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake was van onveilige of schrijnende omstandigheden. Blijkens de verklaringen van eiser vreest hij problemen met zijn voormalige werkgever, maar niet is gebleken dat eiser bij terugkeer opnieuw hiermee te maken zal krijgen noch dat hij zich niet kan wenden tot de autoriteiten in het geval van problemen bij het effectueren van zijn rechten. Eiser is eerder naar de politie gegaan en heeft er toen voor gekozen het advies van de politie om naar een advocaat te gaan niet op te volgen.
14. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Terugkeerbevel
15. Ten aanzien van hetgeen eiser heeft aangevoerd over het terugkeerbevel, overweegt de rechtbank, zoals ook besproken ter zitting, ziet de door eiser aangehaalde passage uit IB 2025/20 en IB 2026/1 op de situatie waarin een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag heeft plaatsgevonden. De aanvraag van eiser is als niet-ontvankelijk afgewezen en betreft dus een andere situatie.
Conclusie en gevolgen
16. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Verweerder mocht de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaren. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Taselaar-Wilbers, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.