Vreemdelingenrecht
Derdelanders RTB - terugkeerbesluiten mochten worden opgelegd op 22 maart 2024 - beroepen ongegrond
Rechtbank Den Haag, 3 maart 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:4240 · Rechtbank Den Haag · 3 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-4240
Zaakgegevens
Op 3 maart 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 3 maart 2026
- Datum publicatie
- 4 maart 2026
- Zaaknummer
- NL24.13116 en NL24.14159
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4240
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Derdelanders RTB - terugkeerbesluiten mochten worden opgelegd op 22 maart 2024 - beroepen ongegrond
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.13116 en NL24.14159
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiseres] , V-nummer: [v-nummer 1] , eiseres
[eiser] , V-nummer: [v-nummer 2] , eiser
mede namens hun minderjarige kinderen
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2016
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2023
hierna tezamen te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. M. Wiersma),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. M. van Boheemen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de aan hen opgelegde terugkeerbesluiten.
Verweerder heeft met de besluiten van 22 maart 2024 aan eisers terugkeerbesluiten opgelegd en bepaald dat zij binnen vier weken Nederland moeten verlaten.
Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften.
Omdat partijen, nadat zij waren gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, niet hebben verklaard dat zij gebruik willen maken van dit recht, heeft de rechtbank op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum 3] 1996 en eiser is geboren op [geboortedatum 4] 1988. Beiden hebben de Armeense nationaliteit. Zij verbleven op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne op het moment dat de invasie van Oekraïne door de Russische strijdkrachten begon. Tot 4 maart 2024 hebben eisers rechtmatig verblijf in Nederland gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (de Richtlijn).
3. Op 22 maart 2024 heeft verweerder aan eisers medegedeeld dat hun verblijfsrecht op grond van de Richtlijn van rechtswege eindigt per 4 maart 2024, nu niet langer facultatieve tijdelijke bescherming wordt verleend aan vreemdelingen die een tijdelijk verblijfsrecht hadden in Oekraïne. Met dezelfde besluiten heeft verweerder aan eisers terugkeerbesluiten opgelegd.
4. Op 4 april 2024 en 26 april 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank voorlopige voorzieningen getroffen met als strekking dat eisers moeten worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming bedoeld in de Richtlijn op hen van toepassing is, tot uitspraak is gedaan op dit beroep.
5. Op 7 augustus 2025 heeft verweerder aan eisers medegedeeld dat de opgelegde terugkeerbesluiten na 4 maart 2024 weer geldig zijn, nu de bevriezingsmaatregel is gestopt.
Wat vinden eisers in beroep?
6. Eisers komen op tegen de vaststelling dat zij geen rechtmatig verblijf meer hebben en tegen de terugkeerbesluiten. Zij stellen zich allereerst op het standpunt dat de rechtbank de beroepen moet doorzenden naar verweerder als een bezwaar, omdat er geen sprake is van losse terugkeerbesluiten. Als de rechtbank zich wel bevoegd acht, stellen eisers zich op het standpunt dat hun rechtmatig verblijf niet is geëindigd per 5 maart 2024. Verweerder heeft dit niet voldoende gemotiveerd door alleen te verwijzen naar de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 17 januari 2024 omdat die uitspraak geen stand houdt. Daarnaast mag geen terugkeerbesluit worden opgelegd, nu voorlopige voorzieningen zijn getroffen met de strekking dat eisers moeten worden behandeld alsof zij de rechten onder de Richtlijn hebben.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7. De rechtbank geeft eisers geen gelijk. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.
8. Anders dan eisers hebben betoogd, is er geen sprake van twee van elkaar losstaande besluiten. Voor het opleggen van een terugkeerbesluit is immers vereist dat wordt vastgesteld dat een vreemdeling “illegaal verblijft” op het grondgebied van de lidstaat. Voorts is de rechtbank wel bevoegd om de beroepen te behandelen. In de rechtsmiddelenclausules staat vermeld dat rechtstreeks beroep open staat tegen de besluiten. Dit volgt uit artikel 79, eerste lid, aanhef en onder d waarin is bepaald dat rechtstreeks beroep openstaat tegen besluiten omtrent de tijdelijke bescherming, als de betrokkene de gelegenheid heeft gekregen om zijn zienswijze over het voornemen tot dat besluit te geven. Eisers hebben deze gelegenheid gekregen in de voornemens van 30 juni 2023. Daarom stond rechtstreeks beroep open tegen de bestreden besluiten. De rechtbank zal het beroep daarom niet doorzenden aan verweerder als bezwaarschrift.
9. Uit de uitspraken van de hoogste bestuursrechter en het arrest Kaduna en Abkez volgt dat verweerder geen terugkeerbesluit kan opleggen wanneer een vreemdeling (nog) rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Dat geldt ook voor de situatie waarin een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van facultatieve tijdelijke bescherming. De rechtbank stelt vast dat eisers geen rechtmatig verblijf hadden op 22 maart 2024 en verweerder daarom niet alleen bevoegd maar ook verplicht is om een terugkeerbesluit op te leggen. De rechtbank volgt eisers namelijk niet in hun betoog dat verweerder de aan hen verleende facultatieve tijdelijke bescherming niet heeft kunnen beëindigen per 4 maart 2024. De hoogste bestuursrechter heeft in haar uitspraken van 23 april 2025, onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 17 januari 2024, geoordeeld dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024. In die uitspraken heeft de hoogste bestuursrechter ook geoordeeld dat verweerder geen toezeggingen heeft gedaan waaruit derdelanders mochten afleiden dat hun tijdelijke bescherming net zo lang zou duren als de verplichte tijdelijke bescherming. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Anders dan eisers hebben betoogd, is hun tijdelijke bescherming niet verlengd tot 4 maart 2025.
10. Nu de genoemde uitspraken en arresten duidelijkheid hebben verschaft over de vraag of de bescherming onder de Richtlijn voor derdelanders (eerder) mocht worden beëindigd, ziet de rechtbank geen aanleiding hier prejudiciële vragen over te stellen.
11. Ook in de omstandigheid dat voor eisers voorlopige voorzieningen zijn getroffen, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat aan hen geen terugkeerbesluit mocht worden opgelegd. Deze uitspraak betekent namelijk dat eisers weliswaar gedurende de beroepsprocedure (procedureel) rechtmatig verblijf hebben om zo de uitkomst van de procedure af te kunnen wachten, maar doet daarmee niet af aan de vaststelling dat zij, met de beëindiging van de tijdelijke bescherming, niet langer voldoen aan de voorwaarden voor legaal verblijf in Nederland.
Conclusie en gevolgen
12. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de terugkeerbesluiten in stand blijven.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.