Vreemdelingenrecht
Visum kort verblijf - geen procesbelang, eiseres heeft een verblijfsvergunning in Duitsland.
Rechtbank Den Haag, 12 februari 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:4388 · Rechtbank Den Haag · 12 februari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-4388
Zaakgegevens
Op 12 februari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 12 februari 2026
- Datum publicatie
- 5 maart 2026
- Zaaknummer
- AWB 24/20279
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4388
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Visum kort verblijf - geen procesbelang, eiseres heeft een verblijfsvergunning in Duitsland.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/20279
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres,
v-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een visum kort verblijf.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 5 mei 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 november 2024 op het bezwaarschrift van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Beiden partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1996 en heeft de Turkse nationaliteit. Zij heeft een visum kort verblijf aangevraagd voor familie- en vriendenbezoek in Nederland. De gemachtigde van eiseres treedt daarbij op als referent, eiseres is zijn collega en vriendin.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond en omdat er redelijke twijfel bestaat over haar voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat er een vriendschappelijke of zakelijke relatie bestaat met referent. Ook heeft eiseres vlak voor en vlak na het indienen van haar aanvraag om visa kort verblijf verzocht bij de Griekse, Duitse en Hongaarse autoriteiten. Met betrekking tot het voornemen van eiseres om tijdig het grondgebied van de lidstaten te verlaten heeft verweerder overwogen dat zij onvoldoende sociale en economische binding heeft met Turkije. Dat aan eiseres eerder een visum is verleend, maakt niet dat zij nu niet (weer) aan de voorwaarden dient te voldoen.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat er twijfels bestaan over het reisdoel van eiseres en haar voornemen om tijdig terug te keren naar Turkije. Eiseres heeft in januari 2023 een visum gehad voor een vakantie in Nederland en is toen buiten haar schuld na afloop van haar termijn teruggekeerd naar Turkije. Uit dit eerdere verblijf blijkt haar intentie om tijdig terug te keren en dat heeft verweerder onvoldoende betrokken. Ook is onvoldoende betrokken dat referent eerder heeft opgetreden als referent voor personen die allen tijdig zijn teruggekeerd naar hun land van herkomst. Daarnaast heeft eiseres voldoende sociale, professionele en economische banden met Turkije. Zij is praktiserend advocaat met cliënten en lopende procedures die haar aanwezigheid in Turkije vereisen. Ook heeft eiseres een eigen woning in Turkije en familieleden waar zij voor zorgt. In januari 2025 is haar bovendien verblijfsrecht verleend in Duitsland.
Verder voert eiseres aan dat de afwijzing van haar visumaanvraag in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, nu haar eerder een visum is verleend naar aanleiding van een aanvraag waar dezelfde informatie en bewijsstukken zijn overgelegd als in deze aanvraag.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Procesbelang
5. De rechtbank stelt vast dat aan eiseres in januari 2025 een verblijfsvergunning is verleend in Duitsland. Niet in geschil is dat zij met die verblijfsvergunning ook naar Nederland kan reizen en zij daarvoor dus niet langer het aangevraagde visum nodig heeft. De rechtbank ziet zich daarom eerst voor de vraag gesteld of eiseres procesbelang heeft bij de beoordeling van haar beroep.
Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres toegelicht dat het procesbelang voor eiseres gelegen is in de erkenning dat haar visumaanvraag ten onrechte is geweigerd. De rechtbank is echter van oordeel dat eiseres geen belang heeft bij de beoordeling van haar beroep. Nu haar een verblijfsvergunning is verleend in Duitsland en zij daarmee Nederland in kan reizen voor een kort verblijf is het doel van het gevraagde visum – en daarmee het doel van deze beroepsprocedure – komen te vervallen. Het beroep is niet-ontvankelijk.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.