Vreemdelingenrecht

Eerste beroep bewaring – bewaring opgeheven – beroep ter zitting ingetrokken – verzoek om pkv toegewezen –…

Rechtbank Den Haag, 12 maart 2026

Zaakgegevens

Op 12 maart 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Middelburg
Datum uitspraak
12 maart 2026
Datum publicatie
12 maart 2026
Zaaknummer
NL26.12050
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:5100
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Eerste beroep bewaring – bewaring opgeheven – beroep ter zitting ingetrokken – verzoek om pkv toegewezen – geen punt voor verschijnen ter zitting.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 12 maart 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:RBDHA:2026:5100

  2. Raad van State · 9 juli 2026

    ECLI:NL:RVS:2026:3901

    (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.12050


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker,

V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. R. Deniz),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. K. Bruin).

Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan verzoeker de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft op 9 maart 2026 de maatregel van bewaring opgeheven. Bij brief van 10 maart 2026 heeft verweerder meegedeeld bereid te zijn aan verzoeker een schadevergoeding te betalen en de proceskosten te vergoeden.

De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Verzoeker heeft ter zitting het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.

2. Verweerder heeft toegezegd de proceskosten te vergoeden tot een bedrag van € 934,-. De rechtbank volgt verweerder hierin. De rechtbank ziet geen aanleiding om een punt toe te kennen voor het verschijnen ter zitting. De rechtbank acht een zitting, zeker na de aangehaalde brief van verweerder van 10 maart 2026, niet nodig.

3. De rechtbank wijst het verzoek toe en veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.

Deze uitspraak is gedaan op 12 maart 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Vreemdelingenwet 2000. Algemene wet bestuursrecht. Besluit proceskosten bestuursrecht.