Vreemdelingenrecht
Bewaring eerste beroep, art. 59-1-a. Einde verblijfsrecht en ongewenst verklaring, juiste grondslag. Gronden…
Rechtbank Den Haag, 20 maart 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:5997 · Rechtbank Den Haag · 20 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-5997
Zaakgegevens
Op 20 maart 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Groningen
- Datum uitspraak
- 20 maart 2026
- Datum publicatie
- 20 maart 2026
- Zaaknummer
- NL26.11366
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:5997
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bewaring eerste beroep, art. 59-1-a. Einde verblijfsrecht en ongewenst verklaring, juiste grondslag. Gronden niet betwist en terecht aan eiser tegengeworpen. Zicht op uitzetting naar Polen aanwezig en voldoende voortvarend. Beroep ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.11366
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
van Poolse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. K.J. Diender).
Inleiding
1. De minister heeft op 25 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser is op de dag van de zitting uitgezet naar Polen.
De rechtbank heeft het beroep op 13 maart 2026 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen. Zijn gemachtigde is op het detentiecentrum Rotterdam verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;
(lichte gronden)
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
3. De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kon worden toegepast.
Voortraject
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
5. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf. Bij besluit van 6 augustus 2020 is eiser ongewenst verklaard en is zijn verblijfsrecht beëindigd. Er is niet gesteld of gebleken dat eiser sindsdien zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd of de ongewenst verklaring is opgeheven. De bewaring is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
6. De minister heeft op de zitting lichte grond 4e ingetrokken.
De overige gronden zijn door eiser niet betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen.
Lichter middel
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat een lichter middel opgelegd had moeten worden. Eiser was hier op vakantie en had sneller uit eigen beweging terug kunnen keren naar Polen. In het vertrekgesprek van 2 maart 2026 geeft eiser aan mee te willen werken en een geldig Pools paspoort bij zich te hebben. Ook daarom is de maatregel van bewaring een te zwaar middel.
Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstaat niet om de uitzetting van eiser te verzekeren. De minister heeft eiser daarbij zwaar aan mogen rekenen dat hij ongewenst is verklaard, wisselend heeft verklaard over het al dan niet bij zich hebben van een (geldig) paspoort en al drie keer eerder is uitgezet naar Polen.
Eiser heeft aangegeven medicijnen te gebruiken voor maagzuur. Door de minister is eiser erop gewezen dat alle medische faciliteiten in het detentiecentrum Rotterdam aanwezig zijn. De medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra in Nederland is gelijkwaardig aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. De rechtbank stelt daarnaast van dat eiser geen andere persoonlijke omstandigheden kenbaar heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel op te leggen.
Voortvarendheid en zicht op uitzetting
8. De minister heeft op de zitting toegelicht dat eiser kort na de zitting zal worden uitgezet naar Polen. De kennisgeving van de vlucht is op 6 maart 2026 aan de gemachtigde van eiser bekend gemaakt. De rechtbank vindt deze gang van zaken voldoende voortvarend. Tot slot ontbreekt zicht op uitzetting naar Polen in het algemeen en ook specifiek voor eiser niet.
Conclusie en gevolgen
9. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep ongegrond;
-
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.