Vreemdelingenrecht

Vervolgberoep bewaring, de voortduring van de maatregel van bewaring, ongegrond.

Rechtbank Den Haag, 21 januari 2026

Zaakgegevens

Op 21 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Utrecht
Datum uitspraak
21 januari 2026
Datum publicatie
30 maart 2026
Zaaknummer
NL26.902
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:7107
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vervolgberoep bewaring, de voortduring van de maatregel van bewaring, ongegrond.

Uitspraak

uitspraak

[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.902

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J.M. Walther) en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).

Procesverloop

De minister heeft op 7 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De minister heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

  1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1988.

  2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 5 november 2025 (in de zaak NL25.52567) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van

belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

4. Eiser stelt dat er geen sprake is van enig zicht op afgifte van de laissez-passer (lp) en dat hij zich coöperatief en actief opstelt met betrekking tot zijn terugkeer en uitzetting naar Algerije. Hierbij wordt verwezen naar het vertrekgesprek van 4 december 2025, waarin eiser verklaart dat hij terug zal keren naar Algerije, indien een reisdocument voor hem wordt afgegeven. De lange detentieduur maakt dat de te maken belangenafweging in het voordeel van eiser uit moet vallen, aldus eiser.

5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend handelt, het zicht op uitzetting ontbreekt of dat de belangenafweging thans in het voordeel van eiser uit moet vallen.

6. Wat betreft het zicht op uitzetting overweegt de rechtbank dat volgens vaste rechtspraak zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet ontbreekt.1 De rechtbank ziet ook geen reden om aan te nemen dat dit in het geval van eiser anders is. Hierbij wijst de rechtbank op wat hierover in voormelde uitspraak van 5 november 2025 is overwogen. De minister stelt verder onder verwijzing naar de vertrekgesprekken (van 6 november 2025 en 4 december 2025) terecht dat uit die gesprekken niet blijkt dat eiser actief meewerkt aan zijn terugkeer en uitzetting naar Algerije. De enkele verklaring dat hij als er een reisdocument komt, wel zal vertrekken, is hiertoe onvoldoende.

7. Verder is het de rechtbank niet gebleken dat de minister sinds de vorige uitspraak onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De minister heeft meermalen, laatstelijk op 17 december 2025, bij de Algerijnse autoriteiten gerappelleerd en daarnaast ook meerdere vertrekgesprekken met eiser gevoerd.

8. Ten slotte is de enkele verwijzing naar de duur van de detentie, die nog geen zes maanden bedraagt, onvoldoende voor het oordeel dat de belangenafweging in het voordeel van eiser dient uit te vallen. De rechtbank is ook overigens niet van omstandigheden gebleken die daartoe nopen.

9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie

10. Het beroep is ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

[afbeelding niet beschikbaar]

1. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond;

  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

21 januari 2026

[afbeelding niet beschikbaar]

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.