Vreemdelingenrecht
Vervolgberoep bewaring, de voortduring van de maatregel van bewaring, ongegrond.
Rechtbank Den Haag, 26 maart 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:7108 · Rechtbank Den Haag · 26 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-7108
Zaakgegevens
Op 26 maart 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 26 maart 2026
- Datum publicatie
- 30 maart 2026
- Zaaknummer
- NL26.13906
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:7108
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vervolgberoep bewaring, de voortduring van de maatregel van bewaring, ongegrond.
Uitspraak
uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar] [afbeelding niet beschikbaar]
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.13906
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Jhingoer) en
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).
Procesverloop
De minister heeft op 29 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De minister heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
-
Eiser stelt van Bengalese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992.
-
Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 4 februari 2026 (in de zaak NL26.3965) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment
van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser stelt dat in het onderzoek geen voortgang wordt geboekt, omdat de minister enkel schriftelijk rappelleert en een reactie van Bangladesh over een laissez-passer (lp) uitblijft. Eiser wijst erop dat er inmiddels al ruimschoots vier maanden zijn verstreken sinds de oplegging van de maatregel van bewaring en dat de minister onvoldoende ‘bovenop de situatie zit’. Dit alles moet volgens eiser betekenen dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting bestaat en dat de minister onvoldoende voortvarend handelt.
Zicht op uitzetting
5. Wat betreft het zicht op uitzetting naar Bangladesh, overweegt de rechtbank dat dit in het algemeen niet ontbreekt. De rechtbank ziet in de voortgangsrapportage van 13 maart 2026 geen aanknopingspunten voor de conclusie, dat dit in het geval van eiser anders is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser enkele maanden in bewaring zit en dat de minister maandelijks, laatstelijk op 12 maart 2026, bij de Bengalese autoriteiten rappelleert met betrekking tot de afgifte van een lp. De minister is, zoals in het verweerschrift van 18 maart 2026 wordt aangegeven, afhankelijk van de medewerking van de Bengalese autoriteiten en de tijd die zij nodig hebben voor het onderzoek. Hiernaast hebben de Bengalese autoriteiten vooralsnog niet aangegeven de identiteit en nationaliteit van eiser niet te kunnen bevestigen. Ook is de rechtbank van oordeel dat uit de met eiser gevoerde vertrekgesprekken niet is gebleken, dat eiser zelf actief en volledig meewerkt aan zijn uitzetting, hoewel hij daartoe wel is verplicht.
Voortvarend handelen
6. Verder is de rechtbank niet gebleken dat de minister sinds de vorige uitspraak van 4 februari 2026 onvoldoende voortvarend handelt ten behoeve van de uitzetting van eiser. De minister heeft meermalen, laatstelijk op 12 maart 2026, bij de Bengalese autoriteiten gerappelleerd en heeft daarnaast recentelijk met eiser nog op 20 februari 2026 een vertrekgesprek gevoerd.
Ambtshalve toetsing
7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep ongegrond;
-
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
26 maart 2026
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.