Vreemdelingenrecht
Vervolgberoep bewaring ruim vijf maanden, zicht op uitzetting bestaat gelet op geplande presentatie in…
Rechtbank Den Haag, 8 april 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:8234 · Rechtbank Den Haag · 8 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-8234
Zaakgegevens
Op 8 april 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Zwolle
- Datum uitspraak
- 8 april 2026
- Datum publicatie
- 8 april 2026
- Zaaknummer
- NL26.16556
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:8234
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vervolgberoep bewaring ruim vijf maanden, zicht op uitzetting bestaat gelet op geplande presentatie in persoon, eiser moet meer doen om zijn paspoort boven water te krijgen, voldoende voortvarendheid.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16556
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. S. Guman),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. J.P.M. Wuite).
Procesverloop
De minister heeft op 22 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep tegen het voortduren van de bewaring op 2 april 2026 op zitting behandeld, samen met het beroep tegen het aan eiser verstrekte terugkeerbesluit (met zaaknummer NL25.54109). Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Gambiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 22 januari 2026 (in de zaak NL26.2440) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 22 januari 2026.
3. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn is en dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting. De bewaring duurt al ruimt vijf maanden voort. Op 16 maart 2026 was al duidelijk dat er voorlopig geen resultaat zal volgen na de schriftelijke presentatie bij de Gambiaanse autoriteiten. Het kan eiser niet worden aangerekend dat de autoriteiten niet reageren. Verder worden er geen andere activiteiten verricht dan gesprekken met eiser. Dat is geen actieve inspanning om uitzetting te bewerkstelligen.
4. De rechtbank volgt eiser daarin niet. De minister heeft ter zitting toegelicht dat eiser op 26 februari 2026 heeft geweigerd mee te werken aan de presentatie in persoon waardoor hij schriftelijk is gepresenteerd. Er staat een nieuwe presentatie in persoon gepland op 14 april 2026. Op voorhand kan niet worden gezegd dat dit niet tot afgifte van een laissez passer zal leiden. In de enkele omstandigheid dat eiser nu ruim vijf maanden in bewaring zit, ziet de rechtbank geen aanknopingspunt dat het onredelijk lang zal duren. Als eiser weigert mee te werken aan de presentaties waardoor het onderzoek naar zijn identiteit langer duurt, komt dat voor zijn eigen risico. Verder blijkt dat eiser stelt dat hij zijn paspoort heeft laten opsturen door zijn broer, maar hij heeft daar geen verzendbewijs van overgelegd. Ook is niet gebleken dat hij om een vervangend paspoort heeft gevraagd als het paspoort bij de post vermist is geraakt. Dat hij nu een afwachtende houding aanneemt, is dan ook onvoldoende. Op eiser rust een actieve medewerkingsplicht waardoor van hem verwacht kan worden dat hij meer inspanningen verricht om zijn paspoort boven water te krijgen en zijn identiteit te laten vaststellen door de Gambiaanse autoriteiten. De minister rappelleert regelmatig bij de autoriteiten, voor het laatst op 12 maart 2026 en voert regelmatig vertrekgesprekken met eiser om hem te bewegen met meer informatie te komen, voor het laatst op 4 maart 2026. Daarmee handelt de minister voldoende voortvarend. Tot slot overweegt de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit bij uitspraak van vandaag in stand zijn gelaten, waardoor de grondslag voor de bewaring niet is komen te ontvallen.
5. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. van der Winkel, rechter, in aanwezigheid van S. Hitijahubessy - Brussaard, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.