Vreemdelingenrecht

Vreemdelingenbewaring - vervolgberoep - ongegrond

Rechtbank Den Haag, 9 april 2026

Zaakgegevens

Op 9 april 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.

Instantie
Rechtbank Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
9 april 2026
Datum publicatie
13 april 2026
Zaaknummer
NL26.15458
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:8796
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vreemdelingenbewaring - vervolgberoep - ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.15458


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. F. Boone),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).

Procesverloop

1. Verweerder heeft op 22 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

1.1.

Verweerder heeft de rechtbank op 18 maart 2026 van de voortduring van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

1.2.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

1.3.

Eiser heeft hierop gereageerd.

1.4.

De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

2. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993.

3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

4. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 9 januari 2026 (in de zaak NL25.63088) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

5. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Verweerder heeft bij de Algerijnse autoriteiten om een laisser-passez gevraagd. Verweerder rappelleert schriftelijk, maar vooralsnog zonder resultaat. Eiser vindt dat verweerder meer moet doen, bijvoorbeeld door een presentatie in persoon te regelen. Daar komt bij dat eiser vrijwel doof is en licht verstandelijk beperkt. Niet blijkt dat verweerder hier rekening mee houdt. Gelet op zijn handicaps kan niet van eiser verwacht worden dat hij op dezelfde actieve wijze meewerkt aan zijn uitzetting als een persoon zonder deze beperkingen.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

7. Op zitting heeft verweerder uitgelegd dat zij in dit stadium alleen schriftelijk rappelleren omdat zij afhankelijk zijn van de werkwijze van de Algerijnse autoriteiten. Deze werkwijze houdt in dat vreemdelingen pas in persoon worden gepresenteerd nadat hun Algerijnse nationaliteit is bevestigd. De rechtbank heeft geen reden om hieraan te twijfelen en ziet hierin geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Verder geldt dat de beperkingen van eiser niet in geschil zijn. De rechtbank ziet in het dossier en hetgeen ter zitting is aangevoerd echter geen aanleiding voor het oordeel dat deze beperkingen maken dat van hem geen enkele medewerking verwacht kan worden om zijn uitzetting te bespoedigen, zo nodig met behulp van zijn gemachtigde. Verder is eiser op 4 december 2025 voor het eerst in bewaring gesteld, op grond van artikel 59b van de Vw 2000. Dat betekent dat eiser ongeveer vier maanden in bewaring zat toen de rechtbank het onderzoek sloot. Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend aan eisers uitzetting werkt en dat er een redelijk vooruitzicht is op zijn verwijdering uit Nederland.

8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
ECLI:NL:RBDHA:2026:8796 – Vreemdelingenbewaring - vervolgberoep - ongegrond | Uitspraken.nl